Een spiegel voor de klagende burger

De kiezer gedraagt zich als een verwende diva, vond Hans Dijkstal. Hij ging niet mee met de verandering in zijn partij, de VVD.

Wat de VVD van plan was voor ouderen te gaan doen, vroeg een bezoekster van de ouderenbeurs in 1999 daar aan Hans Dijkstal, fractieleider van deze partij. „Bij voorkeur niets”, antwoordde Dijkstal, die zich hiermee weer eens van zijn meest liberale kant liet zien, maar onderwijl de vrouw sprakeloos achterliet.

Het was de zondag op 67-jarige leeftijd overleden Dijkstal ten voeten uit. Hij kon de eigen verantwoordelijkheid van burgers niet genoeg benadrukken, ook al kwam dat electoraal misschien even niet goed uit. Dijkstal hield in de roerige beginjaren van deze eeuw de snel opkomende klasse der klagende en boze burgers graag de spiegel voor. De kiezers gedragen zich als „verwende diva’s”, „democratie is geen jukebox met ieders favoriete liedje” en de „publieke kas is geen rijkgevulde postkoets die door een dappere Robin Hood in de nabijheid van tv-camera’s kan worden leeggeroofd”, zei hij.

Het waren uitspraken die elders in de VVD niet altijd even goed vielen. Zeker in de door Pim Fortuyn gedomineerde campagne in de aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen van 2002, waarin Dijkstal zijn debuut maakte als lijsttrekker van de liberalen, wilde men andere teksten. Tot afschuw van Dijkstal ontwikkelde het politieke debat zich meer en meer tot tv-amusement. Lijsttrekkers als pauzenummer in de Soundmixshow op RTL 4. „Meer Jip en Janneke-taal”, verordonneerde partijvoorzitter Bas Eenhoorn.

De uitslag van de verkiezingen was desastreus voor de VVD: de partij die enkele jaren daarvoor nog op weg leek de grootste van het land te worden, verloor veertien zetels. Nog dezelfde avond stelde Dijkstal zijn positie ter beschikking. Drie maanden later kondigde hij zijn vertrek uit de Kamer aan. Het was voor hem niet meer mogelijk om „effectief als volksvertegenwoordiger te werken”, schreef Dijkstal in een verklaring. Dat had onder andere te maken met de „veranderingen binnen de VVD”.

De VVD was steeds minder zijn partij. Hij ergerde zich vooral aan de harde toon die zijn partij in het integratiedebat was gaan bezigen.

Dijkstal rekende zichzelf tot de groep ‘ontplooiingsliberalen’ binnen de VVD: mensen die begrippen als vrijheid, verantwoordelijkheid, sociale rechtvaardigheid en verdraagzaamheid koesteren. Hij was een pure sociaal-liberaal en nam in 1994 dan ook vol overtuiging deel aan het ‘paarse experiment’: het samengaan van de politieke antipoden PvdA en VVD aangevuld met D66 in één kabinet. Dijkstal werd in het eerste kabinet-Kok minister van Binnenlandse Zaken en vicepremier. Echt opvallend beleid heeft hij in de vier jaar van zijn ministerschap niet op zijn naam weten te brengen en dat was ook niet zijn bedoeling. Toen hij hierop in de Tweede Kamer werd aangesproken, antwoordde Dijkstal dat hij geen behoefte had om steeds iets nieuws te verzinnen. Het ging hem om „ordentelijk bestuur”. Zo was de periode van Dijkstal dan ook op Binnenlandse Zaken: weloverwogen weinig spectaculair.

Met de door D66 zo gewenste en in het regeerakkoord vastgelegde staatkundige vernieuwing werd nauwelijks voortgang gemaakt, mede omdat Dijkstal er eigenlijk niet in geloofde. Binnen het eerste paarse kabinet lagen Dijkstals kwaliteiten vooral in het bewaken van de harmonie tussen de paarse coalitiepartners die van buiten telkens weer onder druk werd gezet door de dualistisch optredende VVD-fractievoorzitter en onbetwiste partijleider Frits Bolkestein. De opgewekte en immer relativerende Dijkstal was niet zozeer minister van Binnenlandse Zaken als wel van Coalitiezaken, werd toentertijd opgemerkt.

Vanaf het begin van het tweede paarse kabinet was Dijkstal de nieuwe VVD-leider. In 2001 wijzigde de politieke situatie ingrijpend, toen Pim Fortuyn in het najaar het politieke debat ging domineren. „Ik zag krachten loskomen waarvan ik uit ervaring wist dat die niet makkelijk meer te bestrijden zouden zijn”, zei Dijkstal in 2003 in een vraaggesprek met deze krant.

Na zijn afscheid uit de politiek vertrok hij naar de wereld van commissies, besturen en commissariaten. Jazz was Dijkstals tweede leven. Voor Omroep West presenteerde hij een jazzprogramma en interviewde hij artiesten, en uit zijn cd-rubriek in Het Financieele Dagblad bleek een scherp oog voor nieuw talent. Buitenlandse reizen die hij als politicus maakte, combineerde hij vaak met een bezoek aan jazzclubs. Geregeld was hij te zien met zijn tenorsaxofoon, waarmee hij menig feestje spontaan opluisterde. Hij noemde het een „hobby met therapeutische waarde”.