De roze lepelaar en de boze wereld

Als een volleerde filmster poseert ze voor haar portret op internet, de lepelaar: haar onwaarschijnlijk dieproze veren vormen  een subtiel contrast met de lichtgroene blaadjes van de takken van  haar nest. De roze lepelaar, filmster tegen wil en dank, figureert  als illustratie van de rijkdom van  de broedgebieden van de Mississippidelta, en als symbool voor de  veel minder fotogenieke oesters  en het fytoplankton. De lepelaar is  een dankbaar object om pure natuur tegenover de boze buitenwereld te stellen.


Niet alleen zij, maar wij allen  zijn besmeurd door de olieramp  in de Golf van Mexico. Een ramp  die niet op een slechter moment  had kunnen komen, uiteraard  vanwege het broedseizoen, maar  vooral omdat juist nu het leiderschap van grote bedrijven en overheden, in de boeggolf van de bankencrisis, met steeds meer kritiek  wordt bejegend. Het klungelige  behandelen van de gebeurtenissen  rondom het olieplatform Deep  Sea Horizon lijkt het zoveelste bewijs dat de wereld steeds meer  wordt geregeerd door onverantwoordelijkheid en opportunisme.

Oliemaatschappij BP heeft inderdaad van alles fout gedaan na  de ramp: men bagatelliseerde de  hoeveelheid gelekte olie voordat  de situatie duidelijk was, wimpelde de ernst weg van de milieuschade, probeerde de bevolking af te  kopen, en overschatte de eigen capaciteit om het lek af te dichten.  BP is echter niet de enige. Een milieugroep heeft net onthuld dat de  Amerikaanse overheid bij monde  van de Minerals Management Service  (MMS) zelfs nog dagen ná de explosie ontheffingen heeft verleend  aan BP en andere bedrijven voor  verdere exploratie in de Golf van  Mexico, en dat de eerdere boringen gedaan zijn met een ongerechtvaardigd beroep op ontheffing van een milieueffectrapportage. Zelfs president Obama, in milieuzaken weliswaar niet ervaren  maar zeker niet naïef, heeft onnodig traag gereageerd. Hij heeft  weinig blijk gegeven van betrokkenheid bij de bevolking die de  gevolgen van de orkaan Katrina  (waarbij ook onvergeeflijk geklungeld werd) nog lang niet te boven  is. Het feit dat Obama slechts een  paar weken geleden een voorstel  heeft gedaan tot verruiming van  de olie- en gasexploitatie in de  Amerikaanse kustwateren, is minstens zo ongelukkig. Het koor van  degenen die oproepen tot een algeheel verbod op oliewinning in  zee zwelt aan.

Is zo een drastisch besluit gerechtvaardigd? Ik ben geen voorstander van radicale beleidswijzigingen als het kalf verdronken is.  De emoties zijn reëel, niemand wil  de roze lepelaar ten onder zien  gaan. Maar, net als in het huiselijke leven, emoties zijn niet de beste  raadgever. Beleid vraagt bezinning op doelen en overzicht van  wetenschappelijk gedocumenteerde risico’s, want alleen die  scheppen helderheid. Niettemin  mag deze ramp niet verdwijnen in  een langzaam wegebbende vloed  van geruzie over aansprakelijkheden. Dat is gebeurd bij het tankschip Exxon Valdez, waarvan het juridische getouwtrek na 21 jaar  nog steeds niet afgerond is.

Het is me ook te makkelijk om  te verlangen naar een zero risk society en automatisch de schuld aan  bedrijfsleven en overheid te geven. Ook wij, ver weg van de Golf  van Mexico, zijn betrokken bij een  ramp die, voor zover we nu kunnen overzien, een combinatie is  van overmoed, slordigheid, falend  toezicht en burgers die zich zonder al te veel vragen de overvloed  aan brandstof hebben laten welgevallen. Het is een combinatie die  verdacht veel lijkt op die andere  die we uit den treure hebben leren  kennen, die van de financiële crisis. Veel meer dan de ramp met het  tankschip Exxon Valdez lijkt die  in de Golf van Mexico op een voorbode van een systeemcrisis, compleet met symptomen van ontkenning en incompetentie. Als dat zo  is, zouden de repercussies voor de  energiesector wel eens even ingrijpend kunnen zijn als wat zich in  de financiële sector voltrekt.

Om geopolitieke redenen zijn  olie- en gaswinning uit de rijke reservoirs op het continentale plat  niet weg te denken (al moeten we  uiteraard serieus investeren in  schone alternatieven). Het is duidelijk dat olie een risico vertegenwoordigt, ook al is het een biologisch product, en op lange termijn  afbreekbaar. Daarin verschilt het  trouwens wezenlijk van aardgas.  Echter, een moratorium op het  winnen van fossiele brandstoffen  in kustgebieden lijkt mij niet het  juiste antwoord. Er zijn te veel  landen met grote voorraden die  niet van plan zullen zijn om de exploitatie ervan op te geven. Brazilië is daarvan een goed voorbeeld:  een land dat een speler op het wereldtoneel wil worden, al leiderschap heeft getoond op het gebied  van biobrandstoffen en nu dankzij grote olievondsten voor de  kust, zijn aspiraties ziet bevestigd.

Dus zijn we toe aan internationale afspraken, nodig over normen voor de vergroening van de  olie- en gassector, ook voor gebieden die tot de nationale 200 mijl  exclusieve zone behoren en dus  niet onder het Verdrag voor de Zee  vallen (UNCLOS). We moeten een  systeem van onafhankelijk toezicht ontwerpen, een noodfonds het  vormen, betere rampenscenario’s  ontwikkelen met name voor vogelbroedgebieden en visserij. Dat  zal niet eenvoudig zijn, maar er is  geen reden om te denken dat de  oliesector niet een voorbeeld kan  nemen aan andere, eveneens gevoelige, sectoren zoals het tropisch hardhout.

Het belangrijkste is dat er nu  niet over en weer beschuldigend  de vinger uitgestoken wordt,  maar gekeken wordt naar de lessen de we vorige keren niet hebben willen leren. De roze lepelaar,  kwetsbaar maar zelfbewust, kan  dan dienen als mascotte voor  nieuwe ethische leiders die hun  verantwoordelijkheid nemen en  risico’s niet bagatelliseren.