De euro en de macht

Met een overweldigend bedrag aan financiële steun heeft de Europese Unie dit weekeinde weten te voorkomen dat de financiële markten de euro verder in de problemen zouden hebben gebracht.

Er stond meer op het spel dan de Europese munt zelf. De gebeurtenissen van vorige week brachten een nieuwe financiële crisis snel naderbij. Want er is nog niet zoveel veranderd sinds de bange dagen van oktober 2008. Het financiële stelsel is onderling en internationaal zodanig verweven dat een crisis in een klein en relatief onbeduidend land als Griekenland de lont in een nieuw kruitvat had kunnen zijn.

De meer dan 700 miljard euro aan kredieten en garantstellingen die afgelopen weekeinde zijn opgetuigd, worden geflankeerd door ingrijpende maatregelen op het monetaire vlak. De Europese Centrale Bank (ECB) verschaft opnieuw onbeperkte liquiditeiten aan de banksector en is nu ook bereid overheidsobligaties op te kopen als dat nodig mocht zijn om de koersen te steunen en zo de rentes laag te houden.

De steunoperatie leek gisteren te slagen, gezien de reactie op de financiële markten.

Maar de gevolgen van het afgelopen weekeinde zijn nog lang niet verteerd. De constitutionele consequenties van alle maatregelen gaan potentieel zeer ver. De ECB heeft door het besluit staatsobligaties van eurolanden in te kopen, de grens overschreden tussen monetair beleid en begrotingsbeleid. De miljardengaranties die de EU-landen hebben afgesproken, gaan gepaard met een veel grotere controle door Brussel op de begrotingen van de lidstaten. Dat de Europese Commissie geld leent op de kapitaalmarkt om dit daarna door te lenen aan landen in nood, vormt de kiem van een gecentraliseerd en relatief autonoom begrotingsbeleid door Brussel zelf. En de clausule in het Verdrag van Maastricht dat eurolanden elkaar financieel niet steunen, is op zijn minst in de geest overtreden.

Zo gaat het in de regel bij de Europese integratie. Er is een schok nodig om het proces verder te helpen. Dat een gemeenschappelijke munt kon bestaan zonder gezamenlijk en gecentraliseerd begrotingsbeleid, werd al bij de invoering van de euro betwijfeld. De verder gaande variant dat een monetaire unie kan bestaan zonder politieke unie, evenzeer.

De eurolanden zullen, als de euro een toekomst wil hebben, hun economische en budgettaire beleid moeten coördineren en een flink deel van hun nationale soevereiniteit op dit vlak moeten afstaan. Daar zijn ze afgelopen weekeinde in wezen mee begonnen.

Of dat reden is voor tevredenheid is een tweede. Het publiek is, zeker in Nederland en Duitsland, tot de euro verleid met de belofte dat het zo ver juist niet zou hoeven komen.

Hier wreekt zich het onstuitbare mechanisme van de Europese integratie. De ene maatregel maakt de volgende onontkoombaar. Het eenwordingsproces leidt een eigen leven. Wie dat niet wil, moet hard op de rem trappen. Want aan het einde van de rit is een verregaand soevereiniteitsverlies een feit.