Wettelijke aansprakelijkheid voor BP niet achteraf veranderen

De verleiding om BP hard te straffen is begrijpelijk. De critici in Washington van het Britse olieconcern willen het maximum van 75 miljoen dollar, dat aan zijn wettelijke aansprakelijkheid is verbonden, met terugwerkende kracht verhogen. Het is terecht dat BP moet opdraaien voor de kosten voor het opruimen van de gelekte olie in de Golf van Mexico. Maar het achteraf verhogen van het maximum zou teveel van het goede zijn.

BP zelf, dat wordt geconfronteerd met een steeds grotere pr-catastrofe naar aanleiding van de olieramp voor de kust van Louisiana, is hoe dan ook al bereid meer te betalen dan het concern wettelijk verplicht is – om bijvoorbeeld de economische schade te vergoeden die vissers hebben geleden, of die van anderen die als gevolg van het olielek verliezen lijden.

De wetgevers hebben een punt als ze erop wijzen dat de verantwoordelijkheid van BP niet zou mogen ophouden bij de schoonmaakoperatie. De gelekte olie zal waarschijnlijk een zware tol eisen onder vissers- en andere kleine bedrijven, om maar te zwijgen van de plaatselijke overheden die belastinginkomsten zullen mislopen.

En het behoeden van olieconcerns, waar makkelijk ongelukken kunnen plaatsvinden, voor iedere aansprakelijkheid boven de 75 miljoen dollar – zoals vastgelegd in de Oil Pollution Act uit 1990 – maakt ondertussen wel een heel vreemde indruk. Ten opzichte van de jongste kwartaalwinst van BP van 6 miljard dollar lijkt het maximum belachelijk laag. Er zijn sterke argumenten aan te voeren voor een verhoging van de limiet in de nabije toekomst, misschien zelfs naar het niveau van 10 miljard dollar dat in de Amerikaanse Senaat wordt overwogen – een meer dan honderdvoudige verhoging.

Het probleem zit hem echter in de terugwerkende kracht. De betrokken senatoren willen een hoger maximum invoeren per 15 april 2010. Dat is minder dan een week vóór de explosie van het boorplatform boven een oliebron van BP in de Golf van Mexico. Een precedent voor een invoering met terugwerkende kracht wordt gevormd door de zogenoemde ‘Superfund’-wet uit 1980 over giftig afval.

De wetgevers zouden op juridische gronden misschien hun zin kunnen krijgen. Maar andere factoren moeten ook zorgvuldig worden afgewogen. Het veranderen van de voorwaarden bij grote projecten, waarmee enorme investeringen zijn gemoeid, kan de betrokkenheid van de particuliere sector in de toekomst belemmeren. En de extra onzekerheid kan leiden tot een verhoging van de verzekeringskosten, waardoor dergelijke activiteiten nog duurder worden.

Oliemaatschappen moeten verantwoordelijk worden gesteld voor lekken. Het vooruitzicht van een veel hoger maximum aan hun aansprakelijkheid zou ze minder geneigd maken te bezuinigen op de veiligheidsmaatregelen. Maar omwille van zijn reputatie moest BP toch al veel meer geld uittrekken dan het wettelijke maximum voorschreef. En zelfs als dat niet zo zou zijn geweest, is het met terugwerkende kracht veranderen van de spelregels niet het juiste antwoord.