We zijn al een heel eind op weg

De veehouderij is al hard op weg om te verduurzamen.

De kritiek van de honderd hoogleraren is welkom: dat houdt de druk op de ketel.

De duurzame veehouderij maakt grote sprongen voorwaarts. Nu al. Stappen voorwaarts die respect verdienen en naar meer smaken. Toch vindt een aantal mensen de veranderingen en verbeteringen niet snel genoeg gaan. Daar is niets mis mee. Luizen in de pels houden de druk op de ketel en de geesten scherp.

De discussie wordt echter vertroebeld door onjuiste feiten en selectief gebruik van halve waarheden. In het pamflet van ruim honderd hoogleraren (‘Wij zijn klaar met de vee-industrie ’, Opinie, 29 april) wordt een beeld neergezet van een veehouderij die ongebreideld groeit. Waarbij wordt gesuggereerd dat door de overheid alleen maar wordt gekeken naar mogelijkheden om te produceren tegen de laagst mogelijke kostprijs. Er wordt met geen woord gerept over de vorderingen die er worden gemaakt ten aanzien van milieu en welzijn.

Tijd voor wat feiten. Een ongebreidelde groei van de veehouderij? Sinds het jaar 2000 groeit het aantal varkens en kippen in Nederland niet. Sinds dat jaar kent Nederland een zogeheten dierrechtenstelsel, een afspraak dat het aantal varkens en kippen in Nederland niet meer mag groeien boven het aantal dieren dat toen gehouden werd. Verder kent ook de melkveehouderij een begrenzing: de quotering van de hoeveelheid melk die geproduceerd mag worden.

Met nieuwe technieken worden overigens ook grote winsten behaald op het gebied van milieu en welzijn. Zo kan het dat een groot varkensbedrijf, waar het voer bestaat uit restproducten van de voedselindustrie en dat uit de mest energie opwekt, op dit moment een lagere CO2-footprint heeft dan het zo geromantiseerde extensieve kleinbedrijf.

Is kostprijs het enige uitgangspunt bij het houden van dieren? Het antwoord daarop kan kort zijn: nee, natuurlijk niet. Omdat het om dieren gaat, kán en mág dat niet het geval zijn. Er moet nadrukkelijk rekening gehouden worden met de intrinsieke waarden van het dier. Lees daarvoor mijn nota’s Dierenwelzijn (2007) en Duurzame Veehouderij (2008). Zo is er een eind gekomen aan het onverdoofd castreren van beerbiggen. En er zijn compleet nieuwe huisvestingssystemen voor kippen, koeien en varkens ontworpen. De eerste worden gebouwd. Kijk naar de Rondeelstal voor kippen in Barneveld, een prachtig voorbeeld van integratie van dierenwelzijn, diergezondheid, milieu en economie. Kijk ook naar de comfort class-stal en de Canadese strooiselstal voor varkens.

En dan de resistentie tegen antibiotica, waar de laatste tijd zoveel om te doen is geweest. Volgens sommigen zou ik hebben verzuimd in te grijpen. Ik heb de sector gevraagd om in september met deugdelijke plannen te komen om het antibioticagebruik in de veehouderij met 50 procent terug te brengen in 2013. Als het de sector niet lukt om zo’n plan te maken, dan zal ik met maatregelen komen.

Tot slot het milieu. De ammoniakuitstoot uit de veehouderij is sinds 1990 met de helft afgenomen. De gehaltes van nitraat in het grondwater door het uitspoelen van mest, liggen in de kleigebieden beneden de streefwaarde van 50 mg/liter. Op de zandgronden is fors vooruitgang geboekt, maar daar zijn we er nog niet.

Dat zijn belangrijke stappen, maar er valt nog veel te doen. Samen – zoals de hoogleraren ook terecht constateren – met alle spelers in de productieketen: de primaire producenten, de toeleveranciers, de verwerkers van de producten, de retail, de consument en de overheid. Op al die terreinen is er beweging in de richting van duurzaamheid. Consumenten kiezen meer en meer voor duurzamer geproduceerd vlees. Het is weliswaar duurder, maar de afzet groeit. Bijkomend voordeel is dat bij goede afspraken in de keten ieder zijn faire deel krijgt van deze hogere opbrengst.

Naast de marktpartijen speelt de overheid een eigen rol. Die legt de basis via de wet- en regelgeving. Die stelt geld beschikbaar voor onderzoek en innovatie; denk bijvoorbeeld aan het succes van de subsidieregelingen voor duurzame stallen. Ik breng partijen uit de keten, waar nodig, bij elkaar. Want met name in de keten, in de markt, ligt de werkelijke sleutel voor verdere verduurzaming. Zo heb ik vorig jaar met een aantal marktpartijen – van producent tot retail, van Dierenbescherming tot de grootste slachterij VION – een convenant gesloten waarin iedereen zijn bijdrage levert aan een duurzame veehouderij. Zeker professor Roos Vonk, de organisator van het pamflet, moet de kracht van de markt kunnen onderschrijven. Want zij weet als oud-voorzitter van Wakker Dier als geen ander hoe belangrijk het is om de markt te beïnvloeden.

Daar moet het dus gebeuren. En niet alleen, zoals de hoogleraren stellen, bij de overheid. Daarmee overschatten zij in deze mondige en zelfbewuste maatschappij van vandaag schromelijk de rol van de overheid. En misschien erger nog, zij onderschatten de kracht van marktpartijen om een verdere verduurzaming mee vorm te geven. Want wie zijn ogen de kost geeft, in de winkels, bij bedrijven, ziet dat de gewenste toekomst van de duurzame veehouderij gisteren al is begonnen.

Gerda Verburg is demissionair minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.