Vijftig miljoen ton cellen van één jonge vrouw

De cellen van Henrietta Lacks (1920-1951) werden gebruikt voor onderzoek.

Zij heeft dat nooit geweten. Biologe Rebecca Skloot schreef een boek over Lacks.

De Amerikaanse uitvinder en arts George Gey (1899-1970) was een grote man die zijn weekends klussend doorbracht. Door de week werkte hijin het Johns Hopkins Hospital in Baltimore. Daar was Gey hoofd van de afdeling weefselkweek. In zijn grotendeels zelf gebouwde ziekenhuislab joeg hij met zijn vrouw Margaret een droom na: menselijke cellen kweken die zichzelf zouden delen, en zouden blijven delen – Margaret en George wilden een onsterfelijke menselijke cellijn maken. Dus draaide Geys apparaat overuren: een trage ‘betonmolen’ van hout, met gaten voor een paar dozijn reageerbuizen. De molen liet de vloeistof in die buizen langzaam stromen. Zo werden de lichaamscellen die er ook in waren gestopt voortdurend met verse voedingsstoffen bevloeid.

Begin februari 1951, toen de labmedewerkers er na dertig jaar allang niet meer in durfden geloven, lukte wat George en Margaret altijd gehoopt hadden: in een paar buizen deelden de cellen zich. En dat niet alleen: „Ze bleven groeien zoals niemand eerder had gezien, ze verdubbelden elke dag in aantal en stapelden zo honderden cellen op honderden cellen tot er vele miljoenen cellen waren.”

Het nieuws verspreidde zich snel en Gey deelde ‘zijn’ wonderbaarlijke cellen uit aan alle collegae die erom vroegen. Zo veroverden de cellen de wereld, waar ze groeiden en nog altijd groeien; samen zouden ze nu vijftig miljoen ton wegen. Belangrijker: de werking van talloze medicijnen is erop getest, ze zijn gebruikt om het effect van radioactieve straling op weefsels te onderzoeken, om genen op te sporen, ze zijn de ruimte ingeschoten en ze hielpen bij de ontwikkeling van uiteenlopende vaccins.

Eén mens werd bij al dat onderzoek helemaal vergeten: de 31-jarige zwarte vrouw bij wie een van de Johns Hopkins-artsen vlak voor haar dood de cellen had weggenomen. Als zij al genoemd werd, dan was het gemakshalve bij de naam die ook haar cellijn droeg: ‘HeLa’, samengesteld uit de eerste letters van haar voor- en achternaam. Soms schreven studieboeken dat voluit. Dan noemden ze haar Helen Lane, maar haar echte naam was Henrietta Lacks (1920-1951).

Rebecca Skloot schreef het verhaal van deze vrouw op. Het boek gaat over baanbrekend medisch onderzoek en gebrekkige medische ethiek, over zwart en wit, over arm en rijk, over onverschilligheid – en het schrijnt. Toen Gey net aan zijn zoektocht naar onsterfelijke cellen begonnen was, huppelde Henrietta door de tabaksvelden in de zuidelijke staat Virginia. Sinds haar moeder was overleden woonde ze, met haar iets oudere neef Day, in de voormalige slavenhut van haar grootvader in het dorpje Clover. Met Day voerde ze ’s morgens de kippen, molk ze de koeien en plukte ze tabak. Zes jaar lang mocht ze ook naar school, daarna werkte ze uitsluitend op de velden.

Eens per jaar, schrijft Skloot, reed grootvader Lacks met zijn paard en wagen naar de stad om de oogst te verkopen. Terwijl de witte notabelen in keurige pakken sigaartjes rookten in de hoofdstraat, probeerde grootvader Lacks een goede prijs te krijgen voor zijn oogst.

In Clover stookten de neefjes en nichtjes Lacks vuren en zwommen in de beek. Ze sliepen samen op zolder en als ze te lawaaiig waren, sloeg hun grootvader met een stok tegen de vloer. Toen ze dertien was, werd Henrietta zwanger van Day.

Hoe kon Henrietta weten welk onderzoek George Gey, ver weg in Baltimore, uitvoerde? Henrietta kreeg een tweede kind en volgde Day naar het noordelijke Baltimore, waar in de staalfabrieken meer geld te verdienen was dan op de velden van Clover.

Day gaf haar nog drie kinderen en bovendien syfilis, gonorroe en een agressieve variant van het HPV-virus dat baarmoederhalskanker kan veroorzaken. Kort na de geboorte van haar vijfde kind, een zoon, ging Henrietta naar het Johns Hopkins. Negen maanden later stierf ze, na vergeefse behandelingen met radium, aan uitgezaaide baarmoederhalskanker – alleen, op de afdeling die uitsluitend voor zwarten was bestemd. Een paar dagen eerder had een arts ongevraagd wat cellen van haar tumor weggesneden: voor het onderzoek van dokter George Gey.

Al gauw floreren Henrietta’s cellen, maar haar kinderen niet. De jeugd die deze kinderen aan Skloot beschrijven is akelig, vooral voor de jongste twee. Ze worden kort gehouden en mishandeld door de vrouw aan wie Day is blijven hangen, nadat hij Henrietta in een naamloos graf heeft begraven. Zoon Jay, permanent woedend, belandt wegens moord in de gevangenis. Dochter Deborah raakt op haar zestiende zwanger.

Pas in 1976 vertelt een verslaggever van het tijdschrift Rolling Stone de familie voor het eerst wat er is gebeurd met Henrietta’s onsterfelijke cellen. Hij stuurt hun zijn artikel toe waarin hij citeert uit medische verslagen en uit het autopsierapport dat het Johns Hopkins hem heeft meegegeven – zonder enig respect voor hun privacy. Toen Henrietta voor autopsie was opengesneden, zo leest haar dochter Deborah op het glanspapier, bleken al haar organen bezaaid met tumoren als parels aan een ketting.

Na het Rolling Stone-artikel is de familie overstelpt met vragen van journalisten. Charlatans wilden namens hen geld claimen bij het Johns Hopkins. Commerciële bedrijven, begrepen zij, verdienden intussen miljoenen aan reageerbuizen met hun moeders cellen.

Wat hadden de Lackses aan die kennis? Als Henrietta’s zoon Sonny een bypass krijgt, vertelt de chirurg hem enthousiast dat zijn moeders cellen medische vooruitgang hebben gebracht. Weer uit narcose heeft Sonny een schuld van 125.000 dollar omdat zijn verzekering de operatie niet dekt. Terwijl haar broers razend zijn over dat geld, raakt Deborah de kluts kwijt. Als het waar is dat haar moeders cellen in veelvoud voortleven in het lab, en als het waar is dat haar moeders cellen de ruimte in zijn geschoten en in kernexplosies zijn verspreid, klopt het dan ook dat er, zoals sommige berichten beweren, in Londen tientallen klonen van haar moeder rondlopen? Of dat het Johns Hopkins in de jaren vijftig zwarten ontvoerde voor medisch onderzoek? Deborah weet niet meer wie of wat te geloven.

De HeLa-cellen stichten ondertussen óók in wetenschappelijke kringen verwarring. Wanneer onderzoekers de cellen fuseren met plant- en diercellen, zorgen krantenkoppen over hybride organismen voor een schandaal. Als onderzoekers in New York willen weten of kanker besmettelijk is en HeLa-cellen injecteren in de armen van onwetende (witte) patiënten – de HeLa-cellen zijn immers uit een tumor afkomstig – worden de medisch-ethische regels bliksemsnel aangescherpt. De HeLa-cellen blijken zelfs zo krachtig dat ze andere cellijnen besmet en overvleugeld hebben. Het maakt voor honderden miljoenen dollars aan onderzoek waardeloos. Er is geen wettelijke grond voor een claim van de Lacksfamilie, maakt Skloot aannemelijk. Gey en zijn collega’s waren geen geldwolven; ze brachten medische vooruitgang voor veel mensen. In hun comfortabele bestaan en bij al hun gedrevenheid vergaten deze artsen in hun witte jassen alleen dat ook Henrietta een mens was met een naam, en met kinderen.

Rebecca Skloot: The Immortal Life of Henrietta Lacks. Random House