Vijf Koerden opgehangen in Iran 'om aanslagen'

In de Evin-gevangenis in Teheran zijn gisteren vijf leden van een Koerdische „anti-revolutionaire” groep opgehangen die in 2008 onder andere wegens ‘oorlogvoering tegen God’ ter dood waren veroordeeld. Dat heeft het officiële Iraanse persbureau IRNA meegedeeld. Een mensenrechtenorganisatie sprak van „politieke executies”.

Volgens IRNA maakten de vijf, onder wie een vrouw, deel uit van de PJAK, een Iraanse tegenhanger van de Turks-Koerdische PKK, en hadden zij dodelijke aanslagen bekend. Het zou daarbij onder andere gaan om een aanslag in een moskee in Shiraz in april 2008, waarbij veertien doden vielen.

De afgelopen jaren zijn herhaaldelijk gewapende botsingen gemeld tussen de Iraanse veiligheidsdiensten en strijders van de PJK, die bases in Koerdisch Noord-Irak hebben. In Iran, Irak, Syrië en Turkije wonen aanzienlijke Koerdische minderheden.

Volgens een woordvoerder van de Internationale Campagne voor Mensenrechten in Iran volgden de executies op schijnprocessen. Gemelde bekentenissen waren volgens de organisatie door foltering afgedwongen. Een van de geëxecuteerden, de docent en sociaal werker Farzad Kamangar, had volgens zijn advocaat te horen gekregen dat de beschuldigingen tegen hem ongegrond waren en dat er geen gevaar was voor executie.

De voorgaande dag waren in Karaj, ten westen van Teheran, zes mannen opgehangen wegens drugshandel. Volgens Amnesty International is het aantal executies in Iran na China het hoogste in de wereld. Vorig jaar werden in Iran rond de vierhonderd mensen terechtgesteld. (AFP, AP, Reuters)