Toe Cohen, overtuig nou

Weldenkende mensen weten dat Job Cohen de beste keus voor Nederland is. Maar de rest heeft wel recht op een minder schuchtere man.

Begin vorig jaar was ik in een gezelschap dat een favoriet spelletje had: stel het droomkabinet samen. Hirsch Ballin (CDA) moest eeuwig op Justitie blijven, zei iemand. En Pronk (PvdA) weer op Ontwikkelingssamenwerking, samengevoegd met Defensie, omdat een helm hem zo goed staat, Elco Brinkman (CDA) op Volkshuisvesting, Eberhard van der Laan (PvdA) op Integratie, dat vond iedereen, Femke Halsema (GroenLinks) werd minister van Cultuur en Emancipatie, iemand stelde voor dat Volksverheffing te noemen, Hans Wijers (D66) op Financiën, Nebahat Albayrak (PvdA) op Integratie, enzovoort.

Maar de belangrijkste posten, Buitenlandse Zaken en de minister-president, bleven oningevuld. „Voor Buitenlandse Zaken moeten we een Hillary Clinton hebben, en die hebben we niet”, klaagde er een. Jazeker, Neelie Kroes (VVD)! Na enig geharrewar was men het eens, we hebben inderdaad een Hillary. Maar een Obama? Ere wie ere toekomt, ik riep: Job Cohen. En ik had de lachers op mijn hand.

Cohen (PvdA) is in veel opzichten het tegenovergestelde van Obama, probeerde ik: geen theatraal spreker, geen visionair, niet flamboyant, niet zwart. Maar iemand die kan luisteren en binden. Ik weet niet zeker of ik die laatste term toen al gebruikte, maar ik was mijn tijd in ieder geval ver vooruit, zei ik laatst toen we weer in hetzelfde gezelschap waren.

Dit keer werd er niet gelachen, maar zorgelijk gekeken. Toen bekend werd dat Cohen lijsttrekker werd, was er euforie, maar ook angst. Zou hij het redden? Qua stijl wel, maar qua inhoud?

Hoe die twee elkaar kunnen beïnvloeden bleek afgelopen week. Cohen blunderde in NOVA, door toe te staan dat een journalist een spelletje met hem speelde: wat kost een brood? Cohen had moeten zeggen: weet ik niet, ik koop meestal een pide. Hij faalde. En toen pas viel op hoe dramatisch zijn houding was: handen op schoot, schuin afgekeerd van de camera, en dus van het publiek.

Journalisten hebben de neiging om zich in verkiezingstijd te misdragen, uit wraak: buiten verkiezingstijd zijn belangrijke politici onbereikbaar, nu hebben ze er zelf belang bij om op tv te komen. Als schapen doen politici mee aan ja-nee-spelletjes, en Pauw en Witteman vroegen aan Cohen hoe hij de door hem voorgestelde verplichte vrije dag op 5 mei zou financieren. Het kost 300 miljoen, hadden ze zelf al uitgerekend.

Weer liet Cohens humor hem in de steek. Hij begon te zeggen dat het eerst gaat om het belang en dan pas om hoe je het geld ervoor vindt, maar hij had toe moeten voegen: zoals we ook veel belang hechten aan gesubsidieerde programma’s als deze.

De meeste weldenkende Nederlanders weten dat Cohen de beste keus is. Maar iedereen maakt zich zorgen. De anders zo ontspannen lijsttrekker schijnt veel te lijden onder mensen die hem wijzen op zijn gebrek aan dossierkennis. Maar wie wil er een premier met dossierkennis? De grote lijnen, en die overtuigend presenteren, daar is een staatsman voor.

Maar ik maakte mij ook zorgen toen ik afgelopen vrijdagavond naar Heerlen ging, waar Cohen een toespraak hield ter nagedachtenis van Thijs Wöltgens. Er waren meer dan driehonderd mensen in een zaal die berekend was op de helft. Mannen en veel meer vrouwen van middelbare leeftijd zaten op trappen of stonden tussen de rekken met jassen. Cohen was er al, hij liep gemoedelijk door de zaal handen te schudden.

Toe meneer Cohen, maak me duidelijk waarom ik mij drie en een half uur in langzaam rijdend verkeer heb begeven.

Hij liep naar de katheder, zette zijn te zwarte leesbril op en begon een tekstje voor te lezen. Kan hij goed, voorlezen, langzaam en duidelijk, maar hij is geen Obama. En hij maakte een te ingewikkelde theoretische manoeuvre, door liefdevol en instemmend te citeren uit een krantenstukje van Thijs Wöltgens, over de kwetsbaarheid van de middenklasse.

Want wat Cohen verzweeg, wat kennelijk alleen voor insiders was bedoeld, was dat Wöltgens dat verhaal in NRC Handelsblad uitdrukkelijk had geschreven als felle kritiek op…Wouter Bos.

„PvdA-leider Wouter Bos pleit voor polarisatie ter wille van de emancipatie. Maar het echte probleem voor de PvdA is de krimp van de middenklasse en de erosie van het idee van opwaartse mobiliteit”, zo begon Wöltgens zijn stuk van april 2008. Maar dat vertelde Cohen er dus niet bij.

Mét Wöltgens vond hij dat Wouter Bos, in navolging van de rechtse partijen, hamerde op de spanning tussen de middenklasse en de onderklasse, waarin veel migranten zitten. Terwijl de PvdA juist moest wijzen op de spanning tussen de midden- en de hogere inkomensgroepen.

En zo nam Cohen voor het eerst duidelijk afstand van de periode-Bos. Hoe spannend dat ook is, en strategisch behoorlijk radicaal, hij zei het kalmpjes, tussen neus en lippen door. Geen krachtige vuist, geen armen in de lucht als teken voor het nieuwe tijdperk.

Het was voor de goede verstaanders bedoeld, terwijl het nu ook om de slechte verstaanders gaat. Die willen noch een dossiervreter, noch een Obama. Maar ze hebben wel recht op iemand die op minder schuchtere wijze de grote lijn duidelijk en helder neerzet.