Over de Giro d’Italia en wielrenster Alfonsina

boekomslag Het roerige leven van Alfonsina Strada van Paolo Facchinetti

Vandaag precies 86 jaar geleden, op 10 mei 1924, ging in Milaan de twaalfde editie van de Ronde van Italië van start. Het was nog donker toen de negentig renners vertrokken voor hun eerste etappe: naar Genua, driehonderd kilometer verderop. Onder de deelnemers was voor het eerst, en voor het laatst, een vrouw: de 33-jarige Alfonsina Strada. Zij had al veel ervaring als wielrenster, op de weg en op de baan, in binnen- en buitenland. In 1917 en 1918 had ze al eens mee mogen doen aan de eendaagse Ronde van Lombardije. Haar inschrijving voor de Giro was een beetje verborgen gehouden, want vrouwensport was een gevoelig onderwerp: in de kringen van de kerk en van het opkomende fascisme, maar ook voor de andere, mannelijke deelnemers. Tegelijk hoopte de organisatie, die in 1924 kampte met veel afzeggingen, met Alfonsina wat extra publiciteit binnen te halen. En dat lukte.

Op de eerste dag stapten al dertien renners af – maar Alfonsina niet. Dat zou zo blijven in de volgende etappes die, naar de huidige maatstaven, allemaal heel erg lang waren (gemiddeld 300 km). Tussen de etappes zat steeds een rustdag, dat wel. De wegen waren slecht, het materiaal was slecht, de voorzieningen primitief, er waren geen ploegen en geen helpers. De kleine Alfonsina eindigde steeds achterin, met grote achterstand op de winnaar. Maar ze hield vol en dwong daarmee bewondering af – bij de pers, bij de toeschouwers, bij de koning en bij haar collegae.

Het is allemaal van dag tot dag te volgen in Het roerige leven van Alfonsina Strada van de Italiaanse sportjournalist Paolo Facchinetti (In Altre Parole, € 12,00). Het is een beschrijving van haar leven (1891-1959), maar vooral van de drie belangrijkste weken daaruit: de drie weken in mei 1924 waarin ze de Giro reed. Toch bevinden de mooiste episoden zich juist in de jaren daarvoor en daarna. De enorme armoede op het Italiaanse platteland eind 19de eeuw. Het wonder dat de kleine kleermaakster Alfonsina zich al fietsend aan haar afkomst gaat onttrekken. Het harde bestaan, de hoon en de spot, het onbegrip van de familie. Het droeve lot van haar eerste man, die beschadigd uit de oorlog terugkwam en in een krankzinnigengesticht belandde. Het optimisme van haar tweede man, die op zijn 69ste begon aan het schrijven van ‘een universele wereldgeschiedenis’. Die heeft hij, zo merkt Facchinetti droogjes op, niet meer kunnen voltooien.

Alfonsina moet een vriendelijke vrouw zijn geweest. Een doorzetster. Ze maakte maar één fout in haar leven: ze kocht op latere leeftijd een motor. Wat moet een wielrenster nu met een motor? Op een dag wilde hij niet meer starten. Alfonsina bleef maar proberen hem aan te trappen - tot haar hart het begaf en zij dood neerviel, op haar motorfiets.