Leiders moeten vrezen voor boze achterban

Conservatieven en Liberaal Democraten willen vanavond al een akkoord bereiken. Maar beide partijen zullen zware concessies moeten doen.

Vandaag moet de dag van de doorbraak worden, de dag waarop aan alle onzekerheid omtrent een nieuwe Britse regering een einde komt. Dat hebben de Conservatieve leider David Cameron en zijn Liberaal Democratische collega Nick Clegg het land gisteren in het vooruitzicht gesteld.

Beide leiders hebben namelijk haast. Ze willen zich in geen geval verstrikken in wekenlange of zelfs maandenlange onderhandelingen. Zowel de kiezers als de financiële markten, die gewend zijn aan nieuwe regeringen die onmiddellijk na de Lagerhuisverkiezingen aantreden, zouden zo’n langdurig machtsvacuüm niet accepteren. Zeker niet in een tijd van grote financiële onrust zoals nu.

Het blijft wennen voor de Britten aan de nieuwe politieke verhoudingen, die ze zelf bij de verkiezingen van vorige week hebben geschapen. Aan de af- en aanrijdende delegaties bij het Cabinet Office in Londen, waar de onderhandelingen plaatsvinden, en aan Cameron en Clegg, die al dan niet in vrijetijdskleding, de media voor hun huis bijpraten over de jongste ontwikkelingen.

Vanmorgen zouden de delegaties van beide partijen opnieuw met elkaar om de tafel gaan zitten. Vanavond hopen de leiders een akkoord aan hun nieuw gekozen fracties in het Lagerhuis voor te leggen.

Beide kanten onderstrepen dat hun overleg „heel positief” verloopt. Maar hoe een eventueel regeerakkoord er uitziet op kernpunten is nog onduidelijk. Helder is wel dat de partijen beseffen dat ze niet ontkomen aan harde maatregelen om het begrotingstekort (11,6 procent in het net afgesloten jaar) onder controle te krijgen.

Duidelijk is ook dat de partijleiders ondanks het optimisme, dat ze proberen uit te stralen, in een lastig parket verkeren. Een samenwerkingsverband is alleen mogelijk als beide zijden forse concessies doen. Die zullen bij een deel van de eigen achterban onvermijdelijk grote woede opwekken.

De prominente Liberaal Democraat Don Foster onderstreepte tegenover de BBC al dat hij het oneens is „met veel van de belangrijkste dingen waarvoor de Conservatieve Partij staat.” De vroegere adjudant van Margaret Thatcher, Lord Tebbit, verklaarde op zijn beurt: „Ik geloof niet dat de Conservatieve Partij in de stemming is de Liberaal Democraten in de regering te brengen.”

Verreweg het lastigste obstakel blijft de hervorming van het kiesstelsel, al sinds jaar en dag de belangrijkste wens van de Liberaal Democraten. Hoe urgent de invoering van een meer evenredige vertegenwoordiging is voor de partij, bleek bij de verkiezingen van donderdag. De partij haalde 23 procent van de stemmen maar kreeg slechts 57 zetels, nog geen 9 procent van het totaal van 650 zetels. De Conservatieven daarentegen werden gesteund door 36 procent van de kiezers maar behaalden 306 zetels (47 procent). Labour had 29 procent van het electoraat achter zich en werd beloond met 258 zetels (ruim 39 procent).

Waar de Lib Dems in goed fatsoen geen regering kunnen steunen, die niet althans vooruitgang biedt op dit voor hen cruciale punt, is het voor Cameron juist heel moeilijk hier concessies te doen. Zijn partij is altijd fel tegen hervorming van het kiesstelsel geweest, hijzelf incluis.

De druk op Cameron is echter hoog. Premier Gordon Brown heeft Clegg gisteren tijdens een korte ontmoeting gezegd dat Labour bereid is een referendum te houden over de invoering van evenredige vertegenwoordiging. En uit een opiniepeiling in The Sunday Times bleek gisteren dat 62 procent van de Britten voor invoering van een evenrediger stelsel is, terwijl slechts 13 procent daartegen is.

Hoewel Clegg de laatste dagen een paar keer contact met Brown heeft gehad, is een coalitie met Labour geen serieuze optie. Niet alleen hebben de kiezers aangegeven dat ze genoeg hebben van Brown, ook zou het een constante worsteling blijven voldoende steun in het Lagerhuis te behouden, want beide partijen hebben samen nog geen meerderheid.

Brown zal het naar verwachting niet lang meer in Downing Street uitzingen, zelfs als de andere partijen geen overeenkomst weten te bereiken. Ook binnen zijn eigen partij neemt de roep toe om een andere partijleider te kiezen.

Voor Clegg maakt dat het er nog niet makkelijker op. Als hij inderdaad met de Tories in zee gaat, in een coalitie dan wel door een Conservatieve minderheidsregering te steunen, riskeert hij een harde botsing met het deel van zijn eigen partij dat ideologisch dichterbij Labour staat. Vooral in Schotland, waar zijn partij vanouds relatief sterk is, is er geen enkele animo voor een alliantie met de Tories.

Clegg mag na de verkiezingen in de positie zijn beland van ‘king maker’, die rol zadelt hem op met lastiger dilemma’s dan hij ooit kan hebben bevroed.