Inlevende blik op andere culturen

Marco van Duyvendijk fotografeert zijn reizen, zonder een reisverslag pur sang te willen maken.

Zijn werk is nu te zien in het Fotomuseum Den Haag.

„Duisternis, rumoer en stank liggen achter de zee der vergetelheid. Hier alleen het prevelen van de wind in de blaren, het klagen van drie snaren met een stem te zaam. Bloemen en grassen rieken pril en zoet, de zeewind brengt het zout voor dit hemelse gerecht van louter geur. Het is hier eeuwige stilte. Het is hier eeuwig herfst. Of lente?”

Deze woorden schreef J.J. Slauerhoff in 1926 toen hij als scheepsarts op de lijn Java-China-Japan lange reizen langs de Chinese kust maakte. Zijn inspiratie voor dit verhaal, getiteld Het Lente-eiland, was zijn bezoek aan het eiland Gulangyu, vlak voor de kust van de stad Xiamen (vroeger bekend als Amoy). De tekst, in feite Slauerhoffs prozadebuut, inspireerde fotograaf Marco van Duyvendijk (1974) begin 2008 tot het maken van een soortgelijke reis.

Een maand lang zwierf hij over Gulangyu en maakte een mooie fotoserie. Hij legde de lokale tradities en de gebruiken vast en de verstilde straatjes. Ook fotografeerde hij de kersenbloesem tussen de bundels elektriciteitsdraden en de moderne miljoenenstad Xiamen, die vanaf de kade aan de overkant van het water opdoemt. „Ik heb een ingetogen fotoserie willen maken”, schrijft Duyvendijk in zijn fotoboek Het Lente-eiland (2008). Net zoals Slauerhoff stond hem geen reisverslag pur sang voor ogen. „Ik heb in mijn foto’s steeds gezocht naar een zekere ongrijpbaarheid.”

Hiermee vat Van Duyvendijk in feite samen wat hij als fotograaf in de afgelopen tien jaar heeft gedaan en waarvan het resultaat nu is te zien op de overzichtstentoonstelling Eastward Bound in het Fotomuseum Den Haag. Verspreid over een aantal zalen hangen sfeervolle foto’s van families en jongeren in de stad en op het platteland van Roemenië, Mongolië, China en Japan. Het zijn esthetische, kleurige portretten, waarbij Van Duyvendijk zowel de nadruk legt op de folklore als ook op kleine tekens van de modernisering. Zo dragen in Seoul keurige schoolmeisjes hippe Adidas-gympen onder hun schooluniform. En ligt ergens in Roemenië een meisje in een wit kanten jurkje te slapen op een felgekeurde Spongebob-handdoek.

De meest extreme tegenstelling tussen traditie en moderniteit is te zien in de achterste zaal, waar een serie foto’s hangt die Van Duyvendijk vorig jaar maakte van jongeren die bijeenkomen op Cosplay-festivals (afkorting van ‘costume play’) in Zuid-Korea. Op deze festivals komen duizenden jongeren bijeen die, verkleed als hun favoriete manga-karakter of door middel van eigen creaties, even aan de uniformiteit van het dagelijks leven ontkomen. Meisjes in uniform dragen pluizige konijnenoren op hun hoofd of verstoppen hun haar onder blauwe of roze pruiken. Intrigerend is het beeld van Hyunju en Sulgi, twee Koreaanse meisjes gehuld in sierlijke kasteeljurken, die bevroren staan in de eeuwenoude pose waarbij het ene meisje iets vaststrikt op de rug van de ander, alsof het korset wat strakker wordt aangetrokken. Alleen vindt deze handeling niet plaats aan het hof van Marie-Antoinette in Versailles, maar ergens in Seoul in 2009.

Juist dat spel met de geschiedenis en de tijd draagt bij aan de ‘ongrijpbaarheid’ waar Van Duyvendijk, zoals hij al aangaf in Het Lente-eiland, naar op zoek is. Het is voor hem ook een manier om een eigen draai te geven aan de vraag of hij, als westerling, wel in staat is om met een open blik naar het Oosten te kijken. In zijn nieuwe fotoboek Eastward Bound, dat met deze tentoonstelling is uitgekomen, schrijft Van Duyvendijk dat hij graag had gewild dat de term ‘oriëntalisme’ alleen zou staan voor ‘een verlangen naar het Oosten’, zoals hij het ooit zag omschreven op een tekstbordje in een Japans museum. Maar zeker sinds Edward Said in 1978 hierover schreef in het standaardwerk Orientalism. Western Conceptions of the Orient staat de term ook voor een gekleurde westerse visie op oosterse landen als duister, sensueel en kinderlijk. Volgens Said richtte deze westerse blik op het Oosten zich, met name in de negentiende eeuw, vooral op het exotische, en leidde daardoor onherroepelijk tot een soort kolonialistische visie op de ander. Juist die gekleurde manier van kijken wil Van Duyvendijk in zijn fotografie voorkomen. In Eastward Bound schrijft hij: „elke vorm van superioriteitsgevoel ontbreekt in mijn oriëntalisme”.

De vraag is waarom Van Duyvendijk deze discussie in zijn boek aanzwengelt. Is oriëntalisme niet allang een achterhaald begrip binnen de fotografie? Hoeveel documentaire fotografen hebben tegenwoordig nog het gevoel dat zij als vreemden tegenover ‘de ander’ staan? Neem het werk van fotografen als Alec Soth, Pieter Hugo of Rob Hornstra: ze treden andere werelden met open vizier tegemoet en fotograferen met relativerende blik de vervreemdende effecten die de globalisering op die culturen heeft.

Zijn inlevende blik op andere culturen is dus niet nieuw; toch valt het te prijzen dat hij precies wil aangeven waar hij mee bezig is. In een van zijn zaalteksten wijst hij erop dat zijn werk wortelt in de traditie van de documentaire fotografie, maar dat hij ook ruimte geeft aan zijn eigen creativiteit. „Fotografie toont de eigen – in dit geval mijn – blik op de werkelijkheid. Bij elke foto kan ik de vraag stellen: waar eindig ik en waar begint het land dat ik fotografeer?”

Met deze houding die de verwondering als uitgangspunt neemt, geeft Van Duyvendijk in feite antwoord op de vraag hoe je het oriëntalisme kan ombuigen richting een open visie. Het is dan ook begrijpelijk dat hij zich aangetrokken voelt tot Slauerhoff, iemand die zijn reiservaringen omvormde tot een geheel eigen verhaal. Van Duyvendijk hanteert een soortgelijke creativiteit in zijn fotografie. Daarom is het terecht dat hij nu al, op zo’n jonge leeftijd, een retrospectief heeft gekregen.

Fotografie

‘Eastward Bound’, Fotomuseum Den Haag, t/m 22 aug. www.fotomuseumdenhaag.nl