In hectische rit is wereldkampioen rust zelve

Onder grote belangstelling rijdt het Giro-peloton drie dagen door Nederland. Wiggins won de proloog, gisteren verspeelde de Brit de roze trui. Hij was een van de velen die vielen.

Italiaanser dan gisteren in de slotfase van de eerste etappe van de Ronde van Italië kan het nauwelijks. Chaos en spektakel, dat is de Giro. Zo gaat dat vaak in Italië, zo ging dat gisteren in Utrecht. Valpartijen op de smalle wegen en in de talrijke bochten op weg naar de eindstreep. Renners vielen om als dominostenen, wanneer zich alweer een wegversmalling, rotonde of vluchtheuvel aandiende. Met als voornaamste slachtoffer de Engelsman Bradley Wiggins die zijn zaterdag in Amsterdam veroverde roze leiderstrui in het tumult moest afstaan aan de Australiër Cadel Evans.

Vele duizenden nieuwsgierigen waren gisteren getuige van het Italiaanse festival der vallende mannen. Net als zaterdag in Amsterdam tijdens de openingstijdrit vergaapten ze zich aan de bonte, internationale stoet van Girorenners. Prachtige fietsmachientjes met magere, atletische lijven op het smalle zadel. De verwondering was overal te horen. Zo dicht bij vermaarde sportmensen te kunnen zijn werd als uitzonderlijk ervaren. Dat kan in geen enkele sport. Dat is de wielersport, dat is de Giro d’Italia. Daarom wordt in Italië ook altijd feestgevierd als de roze karavaan voorbijraast.

Voor de poorten van het Olympisch Stadion in Amsterdam liet Wiggins zich zaterdag als winnaar van de openingstijdrit de roze trui aantrekken. Een man die niet alleen in zijn eentje heel hard over korte afstanden kan fietsen, maar ook humor heeft. Verwijzend naar het imago van Amsterdam sprak hij over de geur van bier en joints die hij rook als hij vlak langs het publiek reed. Wiggins was niet gekomen om het eindklassement te winnen, lachte hij. Wat hij tussen het Museumplein en de Stadionweg presteerde vond hij gewoon prachtig, wie weet wel eenmalig. Wielrenners leven bij de dag.

Een dag later lag Wiggins in zijn roze trui op het wegdek, ergens tussen Amsterdam en Utrecht, tot tweemaal toe. Zomaar gevallen, zoals wielrenners zomaar kunnen vallen. Maar Wiggins niet alleen, de een na de andere renner viel over een andere. Waarom? Het ligt voor de hand de oorzaak bij het parkoers te zoeken. Te smal, te bochtig, rotondes. Nederlands? Nee, dat is het echt niet. In Italië worden de renners door middeleeuwse poorten van nauwelijks drie meter breed gestuurd en over smalle met kleine stenen belegde straatjes in historische stadjes. Renners die vaak in Italië hebben gereden, weten niet beter. Daar heerst de chaos in elke rit.

Het is eenvoudigweg nervositeit. De ronde is nog maar net begonnen, iedereen is nog fris. En dan is er het angstvirus. Vallen er een paar, en nog een paar, dan wordt iedereen bang om te vallen. Ploegleiders schreeuwen hun renners toe: „Wees voorzichtig, neem geen risico.” Renners worden paniekerig, elke schouderduw, elke onverhoedse beweging veroorzaakt overdreven schrik. En dan liggen ze, op het wegdek, in de berm, in de greppel. Vallen hoort bij wielrennen.

Zo raakte de voormalige baanwielrenner Wiggins zijn leiderspositie kwijt. Evans volgde hem op. De wereldkampioen, afkomstig uit het mountainbiken waar stuurmanskunst een belangrijke vaardigheid is, had om zich heen de vallende mannen gezien en dacht: rustig blijven. Daarnaast straalt deze 33-jarige routinier sinds zijn vorig jaar veroverde wereldtitel een ongekend zelfvertrouwen uit. Hij schrijft zijn metamorfose – van introvert naar extravert – toe aan de begeleiding van zijn nieuwe ploeg, het Amerikaanse team BMC. Een paar weken geleden won hij de Waalse Pijl, dankzij een indrukwekkende beklimming van de Muur van Huy, waarin hij een specialist als tweevoudig Tourwinnaar Alberto Contador versloeg.

Op de persconferentie in Utrecht zat Evans naast de Amerikaan Tyler Farrar, de man die de sprint van het voorste peloton won. Wiggins een Brit, Evans een Australiër, Farrar een Amerikaan. Engels is de voertaal in het peloton aan het worden, waar het vroeger Frans, Italiaans of Spaans was. En al die Engelstaligen spreken de taal van de positieven, van de optimisten. Ze klagen niet over het parkoers, ze klagen niet dat de Giro niet in Nederland thuishoort. Ze fietsen hard en gaan ervoor. Ze zijn de opvolgers van Phil Anderson, Greg LeMond, Stephen Roche en Lance Armstrong, de renners die het Europese milieu van nieuwe normen en van nieuwe mentale fenomenen voorzagen.

De Europeanen kijken toe hoe de Angelsaksische topsportmentaliteit de macht grijpt. Zeker in de eerste dagen van deze Giro die in alles totnogtoe Italiaans is geweest. Onverwachts trokken duizenden Amsterdammers zaterdag naar de binnenstad om het roze wielerleven te aanschouwen. Het was, zoals enkele Nederlandse renners zeiden, alsof ze door een koker reden, opgezweept door op reclameborden trommelende toeschouwers. Rick Flens was geëmotioneerd, zei hij. Dat is wat een beginnend profrenner zich wenst, acht kilometer lang alles geven wat binnen je mogelijkheden ligt en dan rijden door a tunnel of love .

Een dag later ging Flens opnieuw op avontuur, samen met een paar Italianen en een Duitser, over de Utrechtse heuvelrug. Een ereplaats was hem niet gegund. Het zijn de probeersels van een ploeg die op zoek is naar publiciteit, maar veel te weinig presteert. De ploeg van Rabobank is de enige Nederlandse vertegenwoordiger in de Giro, maar het ontbreekt het team aan renners met allure. Jos van Emden vertrok vandaag als de nummer zes in het klassement, tot zijn grote verbazing. Prachtig, meer niet, vandaag of anders wel over een paar dagen is het voorbij.

Aan het eind van de middag is alles al weer anders. Het peloton rijdt naar Middelburg, van Amsterdam door Zuid-Holland, over dijken en bruggen, dwarsgezeten door de altijd aanwezige wind. De Italiaanse renners spelen niet mee. De Italiaanse journalisten klagen over het Nederlandse eten. Alle Italianen verlangen al dagen naar huis, naar de pasta en de zon. Daar begint het echte roze leven.