Holland - België: kalme traditie versus gekte

Vanavond wordt de Libris Literatuurprijs uitgereikt.

Waarschijnlijk wint een Vlaming de prijs. Schrijven Vlaamse auteurs betere boeken dan Nederlandse?

‘De Belgen zijn beter’ schreef ik vier jaar geleden in een artikel over een nieuwe generatie Vlaamse auteurs. Aanleiding was de verschijning van De helaasheid der dingen van Dimitri Verhulst en Reus van Annelies Verbeke. Het artikel ging ook over het werk van generatiegenoten als Stefan Brijs, Peter Terrin, Saskia de Coster en Erwin Mortier, waar een frisheid uit sprak die bij jonge Nederlandse auteurs hoge uitzondering was.

Inmiddels hebben de nieuwe Vlamingen een prominente plaats binnen de Nederlandse literatuur: Verhulst en Mortier wonnen de Libris- en AKO-prijs 2009, als eerste Vlamingen sinds Hugo Claus in 1997. En dit jaar zijn er zelfs vier Vlaamse boeken genomineerd voor de Librisprijs, die vanavond wordt uitgereikt.

Cijfermatig zijn de Belgen beter. Maar zijn de genomineerde Vlaamse romans beter dan de Nederlandse, of überhaupt anders? Loopt er een literaire grens door de Lage Landen?

Zo’n grens lijkt er vooral te zijn als je aan de noordkant begint. Een goed verhaal van Mensje van Keulen en Ruw van Marie Kessels staan in eenzelfde kalme traditie. Zowel de verhalenbundel van Van Keulen als de roman van Kessels is met zorg geschreven, schuwt het theater en laat de mens zien in de beslotenheid van zijn bestaan. ‘De eerste man’, het openingsverhaal van Van Keulens Een goed verhaal kan zo in het handboek voor korteverhalenschrijvers. Ook in de overige vijf verhalen laat Van Keulen zien wat gevoel voor plot en een lichte, humoristische toon vermogen. Maar wat in Een goed verhaal ontbreekt is één of twee verhalen die ontregelen.

Ook Ruw van Marie Kessels mist een ontregelend effect, wat vreemd is omdat de hoofdpersoon haar hele leven ondersteboven gegooid ziet. Door de openzwaaiende deur van een busje wordt ze van de ene op de andere dag blind. Deze Gemma laat zich echter niet uit het veld slaan, ook niet nu de straten in haar stad veranderd zijn in een soort avonturenpark, waar elk moment een stoeprand of fietsstuur uit het niets tevoorschijn kan springen. Het maakt de roman razend knap, je zou het boek aan alle vrienden van alle blinden willen geven. Maar aan wie nog meer? Het ontbreekt Ruw aan dramatische – of filosofische – spanning. Kort gezegd: de boeken van Kessels en Van Keulen zijn wel goed, maar niet gek.

Voor de Librisprijs 2010 lijkt de jury geporteerd van het kleine verhaal. Dat blijkt ook uit de nominatie van Kleine dagen van Bernard Dewulf, columnachtige stukjes over gezinsleven, groei en verandering. Soms komt hij tot mooie observaties, maar het opmerkelijkste is zijn stijl: ‘Zomeravond in het park. Grote mensen en kinderen bijeen. Wij drinken en eten, spreken en spelen, koetjes en kalfjes, wijn en olijven, sap en chips. Vaders voetballen tegen zonen, zonen voetballen met vaders tegen andere vaders en zonen. Een strijd tussen nieuw en oud testosteron.’ Het is een taal die doorgaat voor poëtisch, en door de Librisjury als zodanig zal zijn beoordeeld, maar waar ik niet meer in kan zien dan een aanval van aanstelleritis. Typisch geval van gewild gek, maar niet goed.

Echt gek wordt het bij Walter van den Broeck in zijn ongegeneerd rommelige, half-esoterische crisisroman-met-thrillerelementen Terug naar Walden. Daarin staat de rijkste en machtigste man ter wereld centraal, de hoogbejaarde Ruler Marsh. Die krijgt te horen dat hij een dodelijke ziekte heeft en zet dus aan voor het zinderende slotakkoord van zijn leven. Met één telefoontje (‘Verkopen. Nu’) stort hij de wereld in een economische apocalyps. Hij verlaat Manhattan en neemt het vliegtuig naar België, het land van zijn voorvaderen, waar hij zelf nooit is geweest.

Het grote plezier waarmee Van den Broeck zijn zotte geschiedenis vertelt, maakt het boek in hoge mate onweerstaanbaar. Van den Broeck plaatst zijn roman middenin deze tijd: de wending die Marsh zijn leven geeft, is precies de verandering die nu van het internationale geldwezen wordt geëist. Ook past Terug naar Walden wonderwel in de literatuur van de Nieuwe Vlamingen, al kan Van den Broeck (1941) zelf bezwaarlijk tot die generatie worden gerekend. Niet het achtergebleven en door oorlogstrauma’s geplaagde platteland is de norm, maar de stad.

Van de economische apocalyps bij Van den Broeck is het maar een kleine stap naar de duistere eindtijd waarin de wereld zich lijkt te bevinden in De bewaker van Peter Terrin. Daarin zijn twee mannen belast met de veiligheid van een luxueus wooncomplex waar echter alle bewoners uit vertrekken. Contact met de buitenwereld hebben Michel en Harry niet; er is sprake van een oorlog, wellicht van een atoomaanval. Getweeën fantaseren zij over wat hun ‘Organisatie’ in petto heeft. Zij leven tussen hoop en vrees, en in De bewaker leidt dat tot een weergaloze roman. De roman zou een verdiende winnaar van de Librisprijs zijn.

Toch is het allerminst zeker dat Terrin maandag de 65.000 euro in ontvangst mag nemen. Want bij de zes genomineerden zit nog een boek dat gek en goed is: Sprakeloos van Tom Lanoye. In dat boek beschrijft Lanoye hoe zijn moeder werd getroffen door een beroerte, haar spraakvermogen verloor en enkele jaren later stierf. Dat lijkt het recept voor een ‘klein’ boek met ongeveer de kwaliteiten en beperkingen van Ruw en Een goed verhaal. Lanoye is echter geen ingehouden Hollandse schrijver, maar een Vlaams theaterdier. Alle registers gaan open in Sprakeloos: compleet met omwegen, zijpaden en uithalen.

Twee Belgen zijn dus echt beter. Beter dan de andere genomineerden. Maar een echte wedstrijd kan maar één winnaar hebben. Mijn keuze zou De bewaker zijn, wegens de veelzijdigheid en de ideeënrijkdom van Peter Terrin. Afgaande op de voorkeur voor kleine, persoonlijke verhalen die uit de nominatielijst spreekt, zal niet Terrin, maar Lanoye de Librisprijs 2010 winnen.

De winnaar wordt vanavond in NOVA bekend gemaakt