High on wheels

Playboy en Italiaans wielerkampioen Filippo Pozzato stond op een dak met achter zich de beroemde ramen en muren van het huis van Anne Frank. Hij was net in het museum geweest. Pozzato vertelde over zijn wandeling door het pand. Hij bekeek de oude typemachine van de familie en stak zijn hoofd om de hoek bij Annes schuilplaats.

Mooie geste van Pozzato. Zo zie je wielrenners niet vaak. Al moest er een televisiecamera mee, anders loop je daar zo anoniem rond.

Bij de voordeur ging de Italiaanse coureur op de foto met wielerfans; oorlogshistorie en cyclisme gingen hand in hand. Dat was niet voor het eerst. In 1948 wist Gino Bartali met zijn formidabele prestaties in de Tour de France de aandacht af te leiden van een dreigende burgeroorlog in Italië.

De Giro aardde goed in Amsterdam. Alleen de aanwezige duiven wekten enige consternatie. Nibali liet tijdens de proloog een duif in zijn achterwiel ronddraaien. Het beest bleef fladderend op het asfalt achter. Bij Fabian Wegmann vloog er zelfs een exemplaar ín zijn helm. Ik geloof het niet, maar toch, een goed verhaal.

De renners raasden één voor één door het bekende centrum. Ik kreeg er maar geen genoeg van. Overal de schok van herkenning. Tegenover theater De Kleine Komedie werd mijn auto ooit van een wielklem voorzien. Hield ik me niet langdurig vast aan die lantarenpaal op die gr acht, na een in alcohol gedrenkte nacht?

Amsterdam was als een filmset voor een feelgoodwielerfilm. De renners stoven door een rookwolk van weed. High on wheels. Ik kreeg een angstvisioen van een als orthodoxe jood verklede wielerfan, midden op het parcours, onverstaanbaar schreeuwend. Maar nee, het bleef rustig in de stad.

Het leek wel of het Amsterdamse parcours zaterdag was ingezegend. Iedereen bleef op de fiets na onmogelijke bochten en ultrasmalle passages.

Gisteren raakten de renners van de hemel in de hel. Amsterdam uit, op naar het echte Holland. Het land van drempels, overgevoelige stoplichten, verkeersheuvels, wegversmallingen, voorsorteerstroken, onmogelijke bochten en smalle dijkweggetjes. „Het is en blijft klote”, zei een Belgische commentator.

Het peloton schonk ons om de kilometer een excentrieke valpartij. De mooiste ontstond door de renner Matteo Bono; de Italiaan ging een innige omhelzing aan met een plastic verkeerspaaltje. Het halve peloton viel over hem heen.

Ik snap nu weer waarom we geacht worden onze hand uit te steken bij iedere bocht. We leven in één grote verkeerspuzzel. Bij de inburgeringscursus staat het leren van de Nederlandse taal bovenaan. Ik zeg: eerst maar eens levend blijven na een fietstocht in onze verkeersjungle.

Het gekke was, ik hoorde na de desastreus verlopen etappe naar Utrecht geen enkele wanklank. Zelfs niet van de ijdele Pozzato. Hij sloeg over de kop, lag even voor dood op de weg maar stapte toch weer op de fiets. Hij zette – pas toen de televisiecamera hem scherp in het vizier had – zijn schitterende zonnebril op en vervolgde de weg naar Utrecht.

Conclusie: Nederland is een hopeloos land om hard te fietsen. „Piano, piano”, zou menig verstandig Italiaan zeggen. Maar nee, het ging juist harder en harder. Tegen alle verstandige regels in. En dat maakte de Giro in ons land zo bijzonder. Zoals Pozzato na zijn bezoek aan Anne Frank zei: „Onze sport slecht alle grenzen.”