Een lachend gezichtje van chocopasta

Moederdag bestond voor mijn broertje en mij uit een vast ritueel. Eerst brachten we ontbijt op bed. Van onze vader hadden we een archaïsch versje geleerd dat hij vroeger altijd voor zijn moeder opzei: ‘Ik ben hier op mijn blote voetjes, ik heb mijn pyjamaatje nog aan, en nu komt uw kleine dreumes zomaar voor

Moederdag bestond voor mijn broertje en mij uit een vast ritueel. Eerst brachten we ontbijt op bed. Van onze vader hadden we een archaïsch versje geleerd dat hij vroeger altijd voor zijn moeder opzei: ‘Ik ben hier op mijn blote voetjes, ik heb mijn pyjamaatje nog aan, en nu komt uw kleine dreumes zomaar voor uw bedje staan. Ik geef u op uw beide wangen een hele dikke zoen, en hoop dit vele jaren telkens weer te doen.’ Aangezien we toch alleen maar iets over blote voetjes en een pyjama konden onthouden was het voor mijn moeder wel draaglijk, vermoed ik.

Ons ontbijt was elk jaar met veel liefde en weinig empathie voor een net ontwaakt volwassen mens klaargemaakt, dus bestond doorgaans uit een vloeibaar ei, vijf boterhammen met een mengsel van pindakaas en appelstroop en een stuk roggebrood met kaas waar met chocopasta een lachend gezichtje op was getekend. ‘Mmmm,’ zei mijn moeder altijd dapper, waarna ze zich traag door een boterham met pindakaas en appelstroop heen werkte. Mijn broertje en ik volgden met ingehouden spanning en enthousiasme elke hap. ‘Het is heerlijk,’ zei ze dan. ‘Mag ik de rest voor later bewaren?’

Daarna presenteerden wij ons cadeau, iets als een loodzwaar gekleid hart met daarin ‘mama’ geschreven, waarna mijn vader iets met wat meer gebruikswaarde gaf, zoals parfum. Inmiddels waren mijn broertje en ik bij de aanblik van zoveel aandacht en cadeaus onze genereuze warmhartigheid alweer vergeten, en eindigde de Moederdagsessie met de ‘wanneer is het nou eindelijk eens Kinderdag’-discussie.

En toen, jaren later, kwam de bewuste Moederdag. Mijn broertje en ik wekten inmiddels elk jaar enkel met een glaasje sap en een croissantje, en de gekleide harten waren verruild voor boeken. Maar die bewuste Moederdag was er niets. Zowel mijn vader als mijn broertje en ik waren het straal vergeten. Geschrokken keken we mijn moeder aan. ‘O, maar dat geeft niets,’ zei ze. ‘Nee joh. Het is toch eigenlijk maar een vreemd feest. We hoeven het inmiddels niet meer te vieren, toch?’

Die avond waren we bij een verjaardag. Elke vrouw was luidkeels aan het vertellen over de wagonladingen zachtgekookte eitjes/parfum/fluwelen badjassen/tripjes naar Londen die ze die dag had gekregen. Mijn moeder was een beetje stil. In de auto terug zei ze: ‘Gek he. Ik vind het écht geen belangrijk feest. Maar als jullie het vergeten is dat toch helemaal niet leuk.’

De Moederdagen daarna hebben we haar overladen met cadeaus. Inmiddels waarschuwt ze elk jaar dat we het niet meer hoeven te vieren. ‘Echt niet,’ benadrukt ze dan lachend. Maar we durven haar niet te geloven (zelfbescherming? Een test?) Dus blijven elk jaar de croissantjes komen.