Toeristenbelasting

Karel Knip

In het hart van Amsterdam is een soort toerisme ontstaan dat in smerigheid alleen wordt overtroffen door dat van Thailand. Vanuit de verste hoeken van Europa trekken dagelijks duizenden bezoekers naar het gebied dat vroeger wel de walletjes genoemd werd. Zij laven zich daar aan bier, hasj en goedkope seks en raken van de weeromstuit steevast buiten zichzelf. Dan wateren zij en braken zij waar het uitkomt. Voornamelijk jongeren zijn het, maar wie oplet ziet toch ook middelbare en oudere reisgezelschappen de buurt intrekken, de laatste zonder uitzondering voorafgegaan door een gids met een vlaggetje of fel gekleurde paraplu.

Al voor het middaguur is het op de Oudezijds Voorburgwal, de Oudezijds Achterburgwal en de Kloveniersburgwal zo’n immens gedrang dat de fietser er in vast loopt. Ook de Damstraat en Oude Hoogstraat zijn dan niet meer te passeren, en zo is de kortste route tussen Amsterdam West en Amsterdam Oost praktisch permanent gebarricadeerd.

Van tijd tot tijd wordt bekend gemaakt dat de Amsterdamse bestuurders het hasj-pils-en-hoeren-toerisme willen inperken, de Britse hengstenclubs wat meer de kant opleiden van de betere musea, en nog zo wat, maar het is er nooit van gekomen. Wie ziet hoe gretig de stad op Koninginnedag publiek van dezelfde spontaniteit, levenslust en interesse naar zich toe trekt, en als het even kan op 5 mei nog een keer, en nog eens tijdens de jaarwisseling, de uitmarkt, de gay parade, de sail, de jaarlijkse marathon en fietswedstrijd, die begrijpt dat het ook nooit serieus overwogen is.

Amsterdam wil het vreemdelingenverkeer bevorderen zoals elke grote stad het toerisme wil bevorderen en dat roept de vraag op: wat wil een stad toch met toerisme. En kan een grote stad ook gelukkig zijn zonder toerisme. ’t Is natuurlijk economenkost, zo’n probleem, maar niemand belet de zelfstandige rekenaar er ook eens over na te denken.

Er zijn twee scherp te onderscheiden soorten toeristen: toeristen die in Amsterdam blijven slapen en zij die dat niet doen, althans niet in erkende hotels, campings of jeugdherbergen. Voor de toerist die overnacht moet toeristenbelasting worden afgedragen en wel 5 procent van de schone overnachtingskosten, dat is: zonder ontbijt. Al dat toeristengeld gaat naar de gemeente.

Is het veel? Dat is een leuke vraag. Vorig jaar waren er 8,5 miljoen geregistreerde overnachtingen, zegt het ATCB, een Amsterdams bureau dat het toerisme een warm hart toedraagt. De Amsterdamse begroting van 2010 laat zien dat er in 2008 voor totaal 31 miljoen euro aan toeristenbelasting is opgehaald. Hieruit leidt Bartjens af dat de gemiddelde toerist 78 euro voor zijn overnachting betaalt, als zijn ontbijt 5 euro kost. Nu is het niet aannemelijk dat de wallentoerist meer dan 30 euro voor zijn overnachting neertelt (en dus, maar daar gaat het nu niet om, de gemeenten au fond niet meer dan 1,50 euro kosten mag bezorgen). Het betekent dat er toch ook toeristen in Amsterdam komen die heel veel meer dan 78 euro per nacht betalen. Niemand heeft ze ooit gezien.

Belangrijk is dat de gemeentelijke inkomsten uit toerisme helemaal niet zo groot zijn. In absolute zin vallen ze tussen de inkomsten uit de onroerend goedbelasting en de hondenbelasting en die drie samen vallen weer in het niet bij de inkomsten die de gemeente haalt uit het erfpachtsysteem en – vooral – het gemeentefonds dat door het rijk wordt gevuld. De gemeente hoeft het toerisme helemaal niet te bevorderen om zijn algemene dekkingsmiddelen op peil te houden, zeker niet als de toerist de gemeente meer kost dan oplevert.

Jawel, de toeristen werken aardig wat weg bij het ontbijt en het warme eten ’s avonds, maar dat moet niet overdreven worden. 8,5 miljoen overnachtingen per jaar komt overeen met een permanente aanwezigheid van 23.000 inwoners extra. Op een totaal van 770.000 echte Amsterdammers is dat maar 3 procent. Je zou durven zweren dat de Amsterdams voedingsbranche deze omzet kan missen. Bedenk ook dat koffie, corn flakes, kadetjes en appelsientje meestal niet in Amsterdam gemaakt worden. Natuurlijk verwerken de honderdduizenden die Amsterdam jaarlijks aandoen zònder er te slapen ook het een en ander, maar daarvoor geldt wat net gezegd is: de pizza's, hamburgers en blikjes bier worden meestal niet in Amsterdam zelf gemaakt.

De kern van de zaak is dat het Amsterdamse toerisme belangrijker is voor Nederland dan voor Amsterdam zelf en in Amsterdam eigenlijk alleen ten goede komt aan de horeca. Is de horeca dan de kurk waar de Amsterdamse economie op drijft? Welnee. Amsterdammers werken in de eerste plaats in de zakelijke dienstverlening, in de zorg en detailhandel en voor banken en verzekeringsmaatschappijen. Met nog geen 7 procent van de werkgelegenheid hangt de horeca er maar zo’n beetje bij.

Hoho, zegt het ATCB, in Amsterdam en regio geven de toeristen jaarlijks wel eventjes 5 miljard euro uit. Je zou willen weten waarom het ATCB de bestedingen opeens op basis van Amsterdam en de regio berekent. En of het ATCB wel weet wat de Amsterdammers en de mensen uit de regio zèlf jaarlijks uitgeven aan eten, drinken en de snuisterijen die toeristen meestal kopen. Misschien wel 50 miljard.

Het neemt niet weg, zal het ATCB misschien zeggen, dat hoeren, hasjverkopers en horeca-mensen zònder de toeristen grotendeels werkeloos zouden zijn. En dan misschien wel van de Amsterdamse steun zouden moeten leven. Maar ook dat is natuurlijk onzin, want zonder toerisme zouden veel van die hoeren en hasjverkopers helemaal nooit naar Amsterdam gekomen zijn.

De conclusie is dat een grote stad, zeker een stad als Amsterdam, het toerisme makkelijk missen kan. Het wordt ook dagelijk aangetoond in Rotterdam waar nog nooit een toerist gesignaleerd is. En let eens op de levensvreugde en het opgeruimde gemoed van de Rotterdammer. Waar wacht Amsterdam op.