Plekken in Berlijn waar je liever niet komt

Je kunt eraan voorbijgaan, maar je kunt er ook bij stil blijven staan. De geest van de nazi-terreur ligt overal op de loer. De gruwel kan in kleine dingen zitten.

Joost van der Vaart

Er zijn plekken in Duitsland waar je liever niet komt. Waar de geest van het bruine verleden nog te zeer aanwezig is. Of waar de doden zich blijven melden. Ieder ziet dat anders. Het is persoonlijk bepaald. De gruwel kan in kleine dingen zitten die een huiveringwekkende associatie oproepen.

Zoiets is het geval in de Niederkirchnerstrasse in Berlijn, een terneerdrukkend oord dat dagelijks door honderden toeristen onbekommerd wordt bezocht. En waarom ook niet? De doden zwijgen.

De Niederkirchnerstrasse heette in de jaren van het nazisme Prinz Albrecht Strasse. Op nummer 8 was hier in een voormalige kunstnijverheidsschool het hoofdkwartier van de Gestapo gevestigd, Adolf Hilters Geheime Staatspolizei. Ernaast zaten de veiligheidsdienst van de Schutzstaffel (SS) en vanaf 1939 het Reichssicherheitshauptamt, een van de hoofdkantoren van de SS. Schuin ertegenover lag het gebouw van Hermann Görings Reichsluftfahrtministerium, dat door een mirakel de oorlog heeft overleefd. Alle andere gebouwen zijn platgebombardeerd of na de oorlog afgebroken. Ervoor in de plaats kwam de Muur, waarvan een deel in de Niederkirchnerstrasse nog overeind staat.

De gebiedsbeschrijving van deze plek staat bekend als de ‘topografie van de terreur’. Vanuit dit ‘Tatort’ werd actie gevoerd tegen staatsvijanden, hier beraamden schrijftafelmoordenaars hun plannen voor de deportatie en vernietiging van Joden, zigeuners en homoseksuelen. En uiteraard, hier werd gefolterd en gemoord. In het gebouw van de Gestapo bevond zich een gevangenis, waar vele duizenden nazi-tegenstanders om het leven zijn gebracht.

In de naoorlogse tijd zijn de (West-)Berlijners heel verschillend omgegaan met het terrein. Eerst lag het braak. Later werd het een landje waar je met sloopauto’s mocht crossen en kon oefenen voor je rijbewijs. Zo werd het verleden letterlijk platgereden.

Maar Duitsland veranderde en wilde herdenken. Vanaf 1987 is hier aan een documentatiecentrum voor de verwerking van nazi-terreur gebouwd. Het is lang een provisorium geweest, een geïmproviseerde tentoonstellingsruimte die ondanks het tijdelijke karakter ervan veel bezoekers trok.

Nu staat er een gloednieuw pand met ruimtes voor vaste en wisseltentoonstellingen, het gebouw van de Topographie des Terrors. Binnen is een expositie met foto’s en veel tekst ingericht; sober, maar doeltreffend. Het centrum is eergisteren geopend door de president van de Bondsrepubliek, Horst Köhler. „Geen andere plek”, zei hij, „is zo met de misdaden van de nazi’s verbonden als deze.”

De buitenruimte van het documentatiecentrum is een plaats van sporen. Meer dan overblijfsels en herinneringen zijn het niet. Stukken verroest ijzer, een kelder, een betonnen plaat, een rij betegelde booggewelven. Het is genoeg. De suggestie is gewekt. Hier hebben mensen geleden. Dit is zo’n plek waar je eigenlijk liever niet komt. Andreas Nachama, de (Joodse) directeur van het documentatiecentrum, is daar nuchter over. „Het oord en de overblijfsels zijn onschuldig. De mensen die er werkten, díe dragen schuld. Dat zijn de daders.”

Van wie er maar weinig zijn veroordeeld. Dat wordt in de expositieruimte plastisch en op schokkende wijze aangetoond. De archiefkaarten van 530 nazi’s die ooit in de gebouwen van Gestapo en SS hebben gewerkt, zijn vergroot en als kopie op vierkante vlakken gezet. Zestien daarvan steken enigszins uit de muur. Dat zijn de archiefkaarten van degenen tegen wie na de oorlog een proces is gevoerd. Drie vlakken met archiefkaarten springen er echt uit. Dat zijn de veroordeelde nazi’s. Drie van de 530. De rest is, als ze niet tijdens latere oorlogsjaren zijn gesneuveld, vrijuit gegaan.