'Moderne opera is meestal oubollig'

Componist Richard Rijnvos emigreert naar Groot-Brittannië. Vanavond gaat in Amsterdam zijn opera Die Kammersängerin in première.

Zijn koffer is nog nauwelijks uitgepakt. Richard Rijnvos (1964) is net teruggekeerd uit Durham – een idyllisch, historisch universiteitsstadje in Noord-oost Engeland – naar het drukke Amsterdam-West. Hij bewoont er een bescheiden optrekje achter een etalage met eigen partituren en cd’s. Lang zal dat niet meer duren, want Rijnvos is van plan binnenkort naar Groot-Brittannië te emigreren. Sinds de zomer is hij lector op de compositieafdeling van Durham University. Toch blijft er voorlopig veel dat hem aan Nederland bindt, onder meer compositieopdrachten van het Koninklijk Concertgebouworkest en de ZaterdagMatinee.

Maar Rijnvos’ muziek vindt steeds meer internationale weerklank. In juni speelt het BBC Scottish Symphony Orchestra NYConcerto (2007), het pianoconcert dat hem de Toonzetters Prijs voor beste Nederlandse compositie van 2007 opleverde.

Is uw emigratie een vlucht uit Nederland?

„Gedeeltelijk. Ik heb altijd al willen emigreren. Nederland is een paradijs, we hebben hier een luizenleventje. Maar er zijn ook veel kanten van Nederland waar ik me niet in kan vinden. Vooral de wijdverbreide onverschilligheid. Er is in de laatste jaren in Nederland ook veel afgebroken in het culturele leven. Dat is erg triest”.

Doelt u op de kunstsubsidies?

„Dat er ook nu ineens weer een discussie oplaait waarom kunst gesubsidieerd moet worden, voelt als terug naar af. Een maatschappij die zichzelf respecteert, ziet ook in dat echt waardevolle dingen in het leven immaterieel zijn. Maar wel geld kosten.”

Die Kammersängerin zou oorspronkelijk een vrij bescheiden liederencyclus worden, maar groeide uit tot een muziektheaterwerk voor instrumentaal ensemble en één zangeres, dat wordt uitgevoerd compleet met decor, een regie en geprojecteerde tekstanimaties. De hoofdpersoon is opgesloten in een kamer die bestaat uit teksten, wat wordt gevisualiseerd door de gezongen woorden rondom haar te projecteren. De teksten selecteerde Rijnvos uit het oeuvre van de Oostenrijkse experimentele dichter Ernst Jandl (1925-2000).

Waarom Jandl?

„Jandl staat in de traditie van Kurt Schwitters en Paul van Ostaijen: hij speelt een abstract klankspel met woorden. Soms ook wel met betekenis, maar zonder diepgaande filosofische achtergronden. Het gaat niet over het wereldleed, maar het is licht en speels. Eenvoudig, maar niet simplistisch.”

Hoe is het werk opgebouwd?

„Ik heb alle gedichten van Jandl gekozen waarin lichaamsdelen voorkomen. De Kammersängerin zingt over haar ogen, oren, mond, tong. Het begint behoorlijk lichtvoetig, maar in het tiende lied gaat ze haar haren tellen – dat is toch wel obsessief. Ze ontdekt dat haar zintuigen en later ledematen niet meer goed functioneren. Het eindigt melancholisch, zo niet depressief, met een wiegelied dat ze voor zichzelf zingt. Er is geen plot, zoals in een opera. Het zijn 21 taferelen, die op een ambigue manier met elkaar samenhangen, en de opera bestaat uit 21 liederen.”

U componeerde vrijwel nooit eerder voor stem. Waarom niet?

„Ik ben gewoon niet zo vocaal ingesteld. Dat heeft, denk ik, te maken met het feit dat ik heel structuralistisch werk. Maar het komt ook doordat ik als tiener altijd naar symfonieën luisterde, en niet naar opera’s, koorwerken of liederen. Ik vond het dan ook heel belangrijk om een duidelijke reden te hebben waarom die gedichten gezongen worden, en niet voorgedragen.”

En die reden is?

„De hoofdrolspeler is een zangeres. Ze speelt geen rol, ze is een zangeres. En een zangeres zingt.”

Hoe heeft u de zang compositorisch benaderd?

„Van de 21 liederen zijn er drie ‘ohne Worte’. De eerste van elke set van zeven heeft geen tekst, maar slechts één klank. Het eerste lied zonder woorden is op de klank ‘a’. Het eerste lied van de tweede set is op ‘m’. Dat is mooi, want dan zingt de zangeres ‘bocca chiusa’ – met gesloten mond. De derde afdeling begint op ‘o’. Daar zit natuurlijk ook een gedachte achter: zoals men in Duitsland zegt: ‘Das A und das O’, of in de Bijbel: ‘alfa en omega’. Het begin en het eind. En precies tussen alfa en omega ligt in het Griekse alfabet de mu – de m. Dat zijn van die nerdy weetjes die voor mij toch van belang zijn om structuur aan te brengen.

„Die a kwam mij ongelofelijk goed van pas. Want zij ‘ontwaakt’ dus aan het begin. En als je, zoals ik, nog nooit een vocaal stuk hebt gemaakt, denk je: hoe moet dat dan, dat zingen? Wat doet een zangeres? Ik dacht: het eerste wat ze natuurlijk doet is ademen, want anders kan ze niet zingen. Dus het eerste lied is op een voortdurend herhaalde a, met tussendoor haar ademhaling, heel nadrukkelijk. Voor mij is dat de geboorte van mijn eigen vocale werk.”

Hoe gaat de muziek verder klinken? Uw pianoconcert NYConcerto was voor uw doen behoorlijk jazzy. Keert dat terug?

„Ik denk niet in stijl. Ik begin niet met een stijl en ga dan een stuk schrijven, het is andersom: ik begin met abstracties, concepten, bouwtekeningen. Daar rolt dan iets uit wat hopelijk een stijl heeft, maar dat is niet mijn vertrekpunt, maar het eindpunt. Dat heb ik hier ook gedaan. Dat is voor luisteraars misschien af en toe verwarrend. Dan schrijf ik een werk als Block Beuys, en dat is dan tamelijk...”

Ernstig?

„Nou ja, het doet hopelijk denken aan het werk van kunstenaar Joseph Beuys waarop ik het baseerde. En dan schrijf ik een NYConcerto over New York, en dat is dan veel lichter. Ik ben dan geneigd om Stravinsky erbij te slepen: die schreef een strenge, calvinistische Mis, maar ook het frivole Ebony Concerto. Dat moet toch kunnen?”

Als ‘structuur’ het uitgangspunt van de muziek is, moeten luisteraars daar dan idealiter ook op gefocust zijn?

„Ik wil het liefst dat mensen de muziek muzikaal beluisteren, en niet gaan associëren. Maar dat is moeilijk. Bijna alle muziek die wij in het dagelijks leven horen, is functioneel: bij film, reclame, noem maar op. Muziek die alleen maar zichzelf is, is veruit in de minderheid.”

Luisteraars mogen bij uw muziek niet aan bloeiende lenteweides denken?

„Dat mág wel, maar zelf beleef ik muziek als muziek. Veel mensen luisteren naar muziek en associëren dat dan met iets anders. Mijn ideaal is om naar muziek te luisteren zonder extra verzinsels. Bij Messiaen bijvoorbeeld kan ik worden overmand door emoties die puur worden veroorzaakt door bepaalde akkoordwisselingen. Ik kan niet uitleggen hoe dat zit, maar ik denk dat de meeste concertbezoekers dat wel begrijpen.”

Volgt er ooit een ‘echte’ opera?

„Ik heb wel plannen in die richting. Ik ga in september een maand lang brainstormen met James Cowan. Hij is de schrijver van het boek waarop ik het semitheatrale werk Mappamondo (2003-04) heb gebaseerd. Een hele erudiete man. Het zou een eer zijn als daar iets uit komt. Maar opera op zich is behoorlijk oubollig, het heeft iets museaals. Bij de meeste hedendaagse opera’s denk ik: het is gewoon een negentiende-eeuws stuk met twintigste- of eenentwintigste-eeuwse noten. Dát is niet waar het naartoe moet. In mijn beleving moet je...” Hij aarzelt en lacht ontwijkend.

Zeg het maar?

„Ja, dat wéét ik niet! Daar ben ik juist naar op zoek: nieuwe vormen!”

Die Kammersängerin van Richard Rijnvos door Ives Ensemble en Marijje van Stralen. Regie: Jos van Kan. 8/5 Amsterdam, 13/5 Utrecht. Info: www.ives-ensemble.nl. Meer over Richard Rijnvos (incl. luistervoorbeelden): www.richardrijnvos.com