Kikkervisje

Kikkervisjes (ze zijn er weer!) zijn slechte zwemmers, zowel qua snelheid als behendigheid, en ze komen tijdelijk massaal voor. Het zijn daardoor gemakkelijke prooien voor watervogels, roofvissen en andere predatoren. Vluchten voor de vijand is geen optie. Wat is dan hun strategie om niet opgegeten te worden? Smaak. De theorie is: opvallend gekleurde dikkopjes zijn onsmakelijk, larven van gecamoufleerde soorten niet.

Om dat te testen voerde de Amerikaanse bioloog Richard Wassersug in Costa Rica op 6 maart 1970 een klassiek experiment uit (zie: The American Midland Naturalist 86: 101-109). Hij ving kikker- en paddenvisjes van acht soorten, uiteenlopend van het boomkikkertje Hyla rufitella tot de reuzenpad Bufo marinus. Vervolgens liet hij ze levend door zijn doctoraalstudenten proeven: eerst de huid (op de tong), dan de staart (tussen de voortanden) en ten slotte het lichaam (goed kauwen). De smakelijkheid werd beoordeeld van 1 (lekker), 2 (smakeloos) tot 5 (uitermate vies). Slechts de larve van de reuzenpad scoorde gemiddeld ‘vies’. Dat bleek ook het opvallendste dikkopje te zijn. De larven van Nederlandse kikkers en padden zijn, voor zover bekend, nog niet op smaak getest.