Het dorp is tegen de vooruitgang

Wegens de honger naar staal van de groeiende Indiase economie breidt het machtige Tata Steel uit in de deelstaat Orissa. Hele dorpen moeten wijken. „We werden gedwongen ons land af te staan.”

Surendra Banara (21) heeft een fors litteken op zijn been. Daar ging vier jaar geleden een politiekogel doorheen. Hij lag een half jaar in het ziekenhuis. Veertien anderen werden gedood tijdens protesten in 2006 tegen de oprukkende industrie die de lokale gemeenschap vernietigt. Ter herinnering aan dat drama zijn veertien grote stenen met de namen van de slachtoffers in een halve cirkel geplaatst.

Surendra woont in Baligotha, een van de dorpjes die moeten wijken voor de komst van een grote fabriek van Tata Steel in Kalinga Nagar, in de Indiase deelstaat Orissa. De omgeving is rijk aan ijzererts. Tata Steel, ook eigenaar van het voormalige Brits-Nederlandse Corus, is dringend op zoek naar expansie om aan de sterk stijgende vraag naar staal in India te kunnen voldoen.

Zo dringt de toenemende welvaart door op het platteland. Maar van feestvreugde is geen sprake. Kalinga Nagar is de afgelopen jaren het symbool geworden van de problematische industrialisering in India door hardnekkig verzet van de lokale bevolking die zich van land en inkomen beroofd ziet. De bloedige confrontatie tussen politie en protesterende dorpelingen in januari 2006 was een dieptepunt, maar afgelopen maand was er weer een treffen. Huizen werden vernield en huisraad kapot geslagen.

Surendra en zijn dorpsgenoten zijn adivasis, zoals de oorspronkelijk stammengroepen van India worden genoemd. Dat geeft hun verzet tegen Tata een extra dimensie: die van machteloze, ongeletterde boeren versus op winst beluste kapitalisten die onder een hoedje spelen met corrupte bestuurders en politici. „Vroeger werkten we allemaal op het land, nu worden de meesten van ons werkloos en verliezen we onze identiteit”, zegt Rabindra Jarika, een van de leiders van het verzet. „Hoe kun je nu spreken van economische ontwikkeling als wij van ons land worden verjaagd?”

Maar niet iedereen schetst hetzelfde beeld. De strijd om Tata heeft diepe wonden geslagen in de lokale samenleving. De meeste gezinnen zijn namelijk wel verhuisd naar de kolonies die een tiental kilometers verderop zijn neergezet. „Het is zinloos met de overheid te vechten en mensenlevens in de waagschaal te stellen”, zegt een metselaar. „Onze traditie en cultuur zijn toch al lang verdwenen”. Zijn naam noemt hij niet. Hij is bang voor represailles van dorpelingen die zich niet gewonnen willen geven. „We worden in elkaar geslagen als ze ons tegenkomen op de markt.”

De achterblijvers zeggen op hun beurt dat niet alleen politie op hen jaagt. Ook knokploegen van de regeringspartij in Orissa en van Tata gingen vorige maand tekeer, zeggen ze. „Wij zitten opgesloten in onze eigen dorpen. Alleen onze kinderen kunnen er op uit voor boodschappen.”

Het zaad voor de huidige tweespalt werd begin jaren negentig gezaaid. De overheid kocht grote lappen grond op, voor 92.500 rupee (ruim 1.500 euro) per hectare, drie keer zoveel als de toen geldende marktprijs. Er kwam een bulldozer langs. Maar de vraag naar staal zakte in. Investeerders bleven weg. En de boeren bleven zitten. Na een paar jaar van afwachten begonnen ze hun grond weer te bewerken. Alternatieven voor een betere broodwinning werden niet geboden. Pas eind 2004 sloot Tata Steel een overeenkomst met de regering van Orissa voor het opzetten van een staalcomplex.

„Vader kreeg het geld en de zonen die nu protesteren hadden niets”, beschrijft een woordvoerder van Tata de situatie. Hij somt op waar de dorpelingen allemaal op kunnen rekenen, los van de grondprijs die ze vijftien jaar geleden kregen: een tijdelijk onderkomen, een lapje grond voor een eigen huis, omgerekend 4.200 euro om het huis te bouwen, gratis medische zorg, gratis scholing voor de kinderen en één baan per gezin bij Tata. En zolang die baan niet wordt gegeven, keert Tata 34 euro per maand uit.

Actieleider Rabindra vindt dat je dat aanbod maar het beste kunt weigeren. Dat ook zijn vader en anderen destijds geld hebben gekregen, vindt hij geen overtuigend argument. „De politie zei: ‘Jullie land wordt sowieso ingepikt, jullie kunnen het geld beter aannemen’. De mensen moesten papieren tekenen die ze niet konden lezen”, zegt hij. „We werden gedwongen ons land af te staan. En we hebben sindsdien gezien dat niets terecht komt van mooie beloftes voor banen en ontwikkeling”.

Rabindra zegt dat de dorpelingen hun strijd tot het einde toe zullen voortzetten. „We worden afgeschilderd als maoïsten, maar die zijn hier in de wijde omgeving niet aanwezig. De politie zegt dat alleen maar om ons te kunnen afmaken. Alleen dan kunnen ze de fabrieken hier neerzetten”. Ook Surendra met zijn beenwond blijft. „Als ik bang was, was ik vier jaar geleden al gevlucht.”

Eind 2008 moest Tata afzien van de bouw van een autofabriek voor de goedkope mini-auto Nano in het naburige West-Bengalen. Het concern noch de communistische regering in die deelstaat slaagde er in de lokale bevolking te overtuigen van de zegeningen van moderne industrialisatie.

Zo zal het niet aflopen in Kalinga Nagar, denkt de Tata-woordvoerder. Over een maand kan worden begonnen met de bouw van de staalfabriek, voorspelt hij. „We praten met zo’n tweehonderd gezinnen die nog in de dorpen wonen”, zegt hij. Op zijn laptop toont hij bereidwillig foto’s van dorpelingen die tot bloedens toe in elkaar zijn geslagen. „De meesten willen vertrekken, maar durven dat niet openlijk te doen uit angst voor hun buren. Ze komen in het holst van de nacht.”