Geleerde arbeiderskinderen

Mick Matthys – Doorzetters. De betekenis van de arbeidersafkomst voor de levensloop en de loopbaan van universitair afgestudeerden – Amsterdam, Aksant, 426 blz. Universiteit Utrecht, 16 april 2010. Promotor: Prof.dr. P.L.M. Leisink

Promoveren een maand nadat je als universitair docent met pensioen bent gegaan. Dat komt niet vaak voor, maar net 65 geworden deed Mick Matthys het. Een laat proefschrift, erg dik ook en bovendien heel persoonlijk. Mick Matthys is zelf een arbeiderskind uit Vlaanderen en gebruikt zijn eigen ontwikkeling als referentiekader voor zijn onderzoek. Wat hem in zijn Werdegang tot academicus in relatie tot zijn milieu van herkomst is opgevallen, komt ook terug in de uitvoerige interviews die hij met 32 lot- en generatiegenoten heeft gehouden. Eén aspect blijft wat onderbelicht: de unieke rol die de priesterseminaries tot in de jaren zestig van de vorige eeuw hebben gespeeld als bijna enige kans voor arme, maar begaafde katholieke jongens om aan de beperkingen van hun afkomst te ontsnappen. Dat was ook bij Mick Matthys zo.

Zijn onderzoek geeft een minutieus en fascinerend beeld van de levensverhalen van zijn respondenten, vanaf hun vroege jeugd tot nu, meestal bijna aan het einde van hun loopbaan. Velen hebben het ver geschopt, tot hoogleraar, medisch specialist of directeur van een grote onderneming. Voor niemand is het gemakkelijk geweest en dat is ook eigenlijk het thema van het hele boek. Goed leren konden ze allemaal. Logisch, want anders zouden ze nooit ook maar de kans hebben gehad naar het gymnasium en uiteindelijk zelfs de universiteit te gaan.

We praten hier over arbeiderskinderen, die tussen 1960 en 1970 de sprong waagden naar veel hogere opleidingen dan hun ouders hadden gehad. Er waren toen nog veel arbeiderskinderen, met ouders met vaak niet meer dan lagere school en nog helemaal niet het idee dat ook hun kinderen de top van de beroepenladder zouden kunnen bereiken. Dat gebeurde ook maar zelden. Een kind van een arts of notaris had een vijftien keer grotere kans in het voorbereidend hoger onderwijs terecht te komen.

Mick Matthys verwijst er nauwelijks naar, maar in zijn onderzoeksgroep zitten de kinderen die ook het onderwerp waren van de beroemde studie van professor F. van Heek, zelf zoon van de grote Twentse textielfabrikant, naar Het verborgen talent (1968) van arbeiderskinderen. Na vele jaren onderzoek was zijn conclusie dat er geen sprake was van verborgen talent. Vooral de jongens uit arbeidersgezinnen bleken onvoldoende ‘parate schoolgeschiktheid’ voor het middelbaar onderwijs te hebben. De voorbereiding thuis was daarvoor onvoldoende en de opvoedings- en leefstijl van de ouders paste ook niet bij de cultuur van de HBS en het gymnasium van die tijd. Van Heek pleitte daarom voor een specifieke schoolvorm die ‘potentiële’ in ‘parate’ schoolgeschiktheid zou moeten omzetten.

Van Heek wees in zijn rapport bijna terloops en vanzelfsprekend al op veel van de belemmeringen, waar de verhalen van Matthys’ respondenten mee doorspekt zijn. Veel van wat voor kinderen uit de hogere middenklasse een halve eeuw geleden al gewoon was, is voor hen vreemd en vaak ook meteen een probleem. Vaak omdat het geld kost (boeken, schoolreisjes, sportkleren, dansles), maar meer nog omdat het codes en omgangsvormen zijn, die zij niet van jongs af aan al aangeleerd hebben gekregen. Niet ‘netjes’ met bestek om kunnen gaan, zwaar dialect spreken, geen idee hebben van wat small talk is, een heel ander gevoel voor humor. Al deze kinderen hadden al vroeg een grote leeshonger, maar thuis waren er geen boeken. Er kon ook geen hulp gegeven worden bij het huiswerk en er werd in de vaak kinderrijke en drukke gezinnen vooral nooit ergens echt over gepraat. Nu werd vroeger ook in de middenklasse minder over persoonlijke zaken gesproken dan nu, maar het verschil met de sfeer in de gezinnen van beter gesitueerde vriendjes herinneren de opgeklommen arbeiderskinderen zich toch nog heel goed. Bijna bij allemaal is er ook nu nog sprake van een gevoel van onzekerheid in het sociale verkeer. Dat anderen daar waarschijnlijk helemaal niets van merken, doet daar niets aan af. Mick Matthys heeft overigens geen generatiegenoten met al hoogopgeleide ouders geïnterviewd. Daarom weten we niet of de controlegroep zich werkelijk altijd zo zeker gevoeld heeft als de arbeiderskinderen denken.

In een aantal gevallen zijn zij door leraren of door de ouders van vriendjes duidelijk wel bijgeschoold en bijgeschaafd. Dat gebeurde zeker uit sympathie, maar helemaal zonder risico was dat beschavingsoffensief toch niet. Door deel te gaan hebben aan een andere wereld raakten deze talentvolle en ook zeer leergierige arbeiderskinderen vervreemd van hun eigen milieu. Daar werd trouwens ook behoorlijk kritisch naar de buitenbeentjes gekeken. Ze moesten zich vooral niks verbeelden en zeker voor meisjes werd verder leren als verspilde moeite gezien. Toch blijkt er in bijna ieder levensverhaal wel iemand aan te wijzen die er mede voor heeft gezorgd dat de kansen werden gegrepen. De hoofdonderwijzer, de pastoor, een familielid dat het al verder heeft gebracht, heel vaak toch ook de eigen moeder. Dat paste ook wel in de tijd en bij de sociale klasse. De vader bemoeide zich nauwelijks met de kinderen. Dat was de taak van de moeder, die ook de sociale status van het gezin bewaakte en probeerde te verhogen. Met zelf niet meer dan lagere school en altijd thuis wisten zij meestal niet hoe ze dat moesten doen en wat daar voor nodig was. Hun kinderen hebben het dan ook weer moeilijk gehad zelf hun koers te vinden. Wat wil ik nu eigenlijk worden? Wat is een carrière en hoe geef ik daar vorm aan?

Uiteraard is een onderzoek als dit in veel opzichten te zien als een rijke illustratie van de theorieën over sociaal, cultureel en zelfs identiteitskapitaal zoals die standaard zijn geworden in de sociologie. Onbedoeld is het ook een studie naar het mechanisme van sociale stijging en de prijs die daar ook weer voor betaald moet worden. Het zou interessant zijn om nu zo’n onderzoek te doen naar de kinderen van Turken en Marokkanen, die nu echt in hoge percentages de weg hebben gevonden naar de hogescholen en de universiteiten. De sociale en culturele afstand die zij moeten overbruggen, is minstens zo groot als voor de studerende arbeiderskinderen van een halve eeuw geleden het geval was. Ook zij moeten ‘doorzetters’ zijn en dan is het meer dan leuk om te lezen hoeveel van de gevestigden van nu ooit ook buitenstaanders waren. In hun eigen ogen zijn ze ‘statusallochtonen’ gebleven.