Elke burger verdient een kans op kunst en cultuur

De kunst gaat inleveren. In de verkiezingsprogramma’s van de partijen staan voorstellen om de subsidies voor professionele kunstbeoefening aan te pakken of compleet te schrappen. Dezelfde partijen zetten nadrukkelijk in op de amateurkunst. Maar amateurs ontlenen hun passie aan voorbeelden op professioneel gebied. Kap de professionele kunst af en de amateurkunst bloedt.

Het is duidelijk dat niet alleen het subsidiebeleid aan hervorming toe is, maar vooral de subsidieverstrekking. Zo tonen adviescommissies noch fondsen zich verantwoordelijk als het publiek geen aansluiting vindt bij de door hen bevorderde kunst. Maar als zij zo enthousiast waren over de kwaliteit van de begunstigde dat ze er belastinggeld aan wilden spenderen, dan horen zij dat prachtigs ook samen met het cultureel management te propageren.

Het beoordelingssysteem dreigt zelfs vast te lopen. Onlangs hebben toneel- en muziekgezelschappen bij de rechter de beslissingen van een fonds aangevochten en alle schoten ze raak, wat de geruchten heeft gevoed dat in beoordelingscommissies vriendjes- en vijandjespolitiek de regel zijn.

Het lijkt er eerder op dat commissies onvast op hun benen staan. Beoordeling lijkt nu ingegeven door vanzelfsprekende reverences naar de heel grote, gevestigde namen, of door het sowieso omarmen van aanstormend talent. Wat ertussen ligt, vindt moeilijk gehoor. Kunstenaars die recentelijk nog werden binnengehaald als geweldige talenten, leggen het snel af tegen de nieuwe dernier cri. Historische overzichten worden afgeserveerd als ‘niet vernieuwend’, terwijl een nieuwe generatie geïnteresseerden erbij gebaat zou zijn om bijgepraat te worden. Op zulke beslissingen mogen de adviescommissies aangesproken worden, want het publiek vraagt zich af hoe dat kan. Maar commissieleden blijven anoniem, en de directies geven hooguit ontwijkende antwoorden.

Kunst is iets waar iedereen recht op heeft. Kunst draagt bij aan het menselijk welzijn. Kunst vraagt inspanning, ze gedijt bij een groeiend bewustzijn en een voortdurend proces van belangstelling opbrengen. Nu blijft het beoogde publiek vaak beperkt tot een vaste groep bij wie het kwartje is gevallen. Maar iedere burger verdient het daartoe de kans te krijgen. Dat de PvdA, net als voor taal en rekenen, wil vastleggen welk niveau er door scholieren bereikt moet worden in de kennis van kunst en cultuur, is daarom logisch.

Scholen die beseffen dat kunst gelijkstaat aan het opdoen van unieke ervaringen, verzorgen lessen die daarop toegesneden zijn. Musea en podiumgezelschappen ontvangen al schoolklassen. Workshops, onderwijs voor kleinere groepen, zouden nog meer profijt hebben. De kunstenaar die subsidie ontvangt, kan het als een morele plicht beschouwen om bij te dragen aan zulk onderwijs. Hij kan als geen ander, want als ervaringsdeskundige, een jong en soms onwillig publiek in spe ervan overtuigen hoe verrijkend dat is, hartstocht.

Maar die kunst moet er wel zijn. Zonder subsidie gaan theatergezelschappen op de fles, wordt het stil op muziekpodia en sluiten musea. Kunstonderwijs is onzin als het onderwerp van de lessen is verdwenen. Talent stormt niet meer aan als het bij gebrek aan voorbeelden niet weet in of tegen welke richting het stormt.