Een Italiaans feest onder voorbehoud

Vandaag begint in Amsterdam de Ronde van Italië. Waarom? Wat heeft de Italiaanse directie in Nederland te zoeken? Zo’n groot feest als in Italië kan het nooit worden.

De Giro d’Italia is meer dan wielrennen. Het is een rondreizend theater vol bontgekleurde artiesten, dat onderweg de mooiste streken aandoet en gedurende drie weken elke dag vertrekt of aankomt op historische plekken. Of het nu de Arena van Verona is, het Piazza Duomo in Milaan, het Piazza del Campo in Siena, aan de boorden van de kanalen van Venetië of aan de voet van het Colosseum van Rome; de Giro wil pracht en praal rondom monumentale plaatsen. Italië is trots op de Giro en andersom.

Wanneer buitenlandse steden als Amsterdam, Utrecht en Middelburg ook in hogere Italiaanse wielersferen willen komen, dan dienen zij de mooiste plekken en straten van de stad vrij te maken. Van een start- en finishlijn op een industrieterrein, zoals ze steeds meer wegens logistieke problemen in de Tour de France worden getrokken, wil de Italiaanse organisatie niets weten. Het parcours van de openingstijdrit in Amsterdam diende langs de grote musea, het Paleis op de Dam, het Damrak, het Rokin en de Amstel te voeren.

De Amsterdamse organisatie kon slechts ten dele aan de eisen van Girodirecteur Angelo Zomegnan tegemoetkomen. Men wist hem ervan te overtuigen dat de Dam, het Damrak en het Rokin onmogelijk op zaterdagmiddag konden worden afgesloten voor de Giro. Stadsdeelraden hadden dwarsgelegen, de politie voorzag te veel problemen, warenhuizen wilden niet dat juist op de zaterdag voor Moederdag het winkelende publiek de toegang werd versperd, mede omdat er geen trams konden rijden. Dranghekken voor de deur op zaterdagmiddag, omwille van een wielerronde – dat kon niet. Amsterdam, dat 5 miljoen euro neertelde, stond niet klaar om de Giro met open armen te ontvangen, zo weten bronnen.

Dat is in Rome, Milaan of welke Italiaanse stad dan ook ondenkbaar. In Italië moet alles wijken voor de Giro. Niemand klaagt, zelden liggen de autoriteiten of winkeliers dwars. Dankzij de Giro komt hun stad of dorp op grootse wijze in beeld. Tijdens de Giro is het feest in Italië. Dan gaan Italiaanse kinderen gekleed in het roze, zingen ze massaal de renners toe, dan hangt de hele stad vol roze ballonnen, vlaggen en bloemen.

Slechts hier en daar hangen vandaag in Amsterdam roze banieren en wijzen roze verkeersborden erop dat de Ronde van Italië in de stad is. Italiaanse films en theaterstukken en Italiaanse menu’s in restaurants, Italiaanse literatuur in boekwinkels, veel meer is er niet. Het verkeer zal vandaag urenlang vastlopen in de binnenstad. Wat is er nu weer aan de hand, zullen de Amsterdammers zich afvragen. Wielrennen, de Giro, wat is dat?

Mogelijk is het aantal nieuwsgierigen en sportliefhebbers in Utrecht (morgen), met zijn roze Dom, en Middelburg (maandag) groter. Maar dan nog. Waarom wil de organisatie van de Giro zo graag naar het buitenland? Voor de negende keer sinds de eerste editie in 1909 gaat de Ronde van Italië van start buiten de landsgrenzen. Voor het eerst in 1966 in Monaco, in 1973 in Verviers (België), in 1974 en 2000 in Vaticaanstad, in 1996 in Athene, in 1998 in Nice, in 2002 in Groningen en in 2006 in Seraing, bij Luik.

„Ten eerste willen de Hollanders graag de Giro”, zegt directeur Zomegnan. „Ten tweede willen wij Italië uitdragen in de wereld. Dat is goed voor ons land. De Italiaanse cultuur over de hele wereld verspreiden, is economisch verantwoord. En Amsterdam wil Italiaanse toeristen trekken. Italianen zijn gek op Amsterdam. Dan hebben wij beide profijt. Aan de ene kant Nederland, Amsterdam, Utrecht, Middelburg, het halve land, aan de andere kant Italië. Onze sponsors kijken graag naar het buitenland. Daar ligt hun markt.”

Televisiereportages van wielerwedstrijden hebben veel weg van toeristische propaganda. Vooral in Italië laten de camera’s uit laagvliegende helikopters beelden zien van de landschappen, steden en historische plekken. Gasten en journalisten worden getrakteerd op Italiaanse maaltijden in de hoop dat zij het naar hun zin hebben en zullen verhalen over het prachtige land Italië. Wielrenners spreken over Italië als het beloofde land: goede verzorging, modieuze kleren, glimmende fietsen en volop aandacht van het volk.

Gistermiddag zond RAI Tre een uur lang een programma uit over de start van de Giro in Amsterdam, met Italiaanse wielerverslaggevers als deskundigen. Een helikopter vloog over de regenachtige hoofdstad, en maakte beelden van de Dam, de Munt, het Van Goghmuseum, het Rijksmuseum, het Olympisch Stadion, de grachten en het Centraal Station. De camera zoomde in op de duizenden fietsen bij het Centraal Station, waarop een verslaggever verklaarde: „Nederland is een land van fietsers.” Vervolgens volgden motoren met camera’s de oud-renners Davide Cassani en Paolo Savoldelli tijdens een verkenningsritje door de drukke binnenstad. Zij analyseerden al fietsend het parcours van de proloog. Mooie beelden voor de Italianen thuis.

Maar er is meer waarom de Giro de grenzen over wil, geeft oud-Gazzettaverslaggever Zomegnan toe. „Wij moeten concurreren met de Tour de France. Daarom moeten wij de grens over, nieuwe toeschouwers, nieuwe sponsors. Wij willen dat de sterkste buitenlandse renners in de Giro rijden. Helaas is dat niet altijd zo. We willen nu naar Washington, over een paar jaar. De Giro moet een wereldkoers worden.”

Felice Gimondi won in de jaren zestig zowel de Giro als de Tour de France en de Vuelta, en was wereldkampioen. De 67-jarige Italiaan is pr-man van Skoda, dat het wagenpark van de Giro verzorgt. „Het is goed met de Giro in Nederland te zijn”, zegt de man die vroeger ‘de Aristocraat’ werd genoemd. „Het is jammer dat de beste Nederlanders niet meedoen. Waar is Gesink? Die had deze Giro kunnen winnen. Rabobank won vorig jaar met Denis Mensjov. Nu is er geen goede Raboploeg. En nog wel hier in Nederland.”

Ook Zomegnan noemt het teleurstellend dat de ploeg die vorig jaar won, niet zijn beste renners heeft gestuurd. „Maar ik ben zeer tevreden over wat Amsterdam hier heeft kunnen organiseren. Daar kunnen veel andere steden een voorbeeld aan nemen.”