Economie leidt tot loze belastingbeloften

Om stemmen te trekken, mikken politieke partijen met groeiambities op de modale maagmens. Dit prachtige, door Jacques de Kadt (1897–1988) gemunte begrip doelt hier op de doorsnee zwevende kiezer, die zijn stem in belangrijke mate laat bepalen door de gevolgen van de verkiezingsprogramma’s voor de eigen portemonnee. Veel huizenbezitters met een hoge hypotheekschuld huiveren bijvoorbeeld bij de gedachte dat linkse partijen een limiet willen stellen aan de renteaftrek. Die heet bij het CDA en de VVD veilig te zijn. Maar ook deze partijen hebben in het verleden meegewerkt aan maatregelen waardoor mensen minder rente kunnen aftrekken, zoals door de in 2004 ingevoerde ‘bijleenregeling’. Hoe dit zij, geredeneerd vanuit hun directe belang hebben huiseigenaren hoogstwaarschijnlijk van rechts het minste te duchten. Daarentegen heeft met name de VVD voor huurders weinig goeds in petto. De liberalen willen de huren vrijlaten. Zeker in de Randstad betekent dit dat de woonlasten voor huurders fors zullen stijgen.

Calculerende kiezers, die met hun portefeuille in gedachten stemmen, dienen zich goed te realiseren dat niet alleen het na belastingheffing resterende vrij beschikbare inkomen koopkracht verschaft. Ook via de belastingen gefinancierde, door de overheid gratis of ver beneden de kostprijs beschikbaar gestelde voorzieningen – onderwijs, zorg, cultuur en openbaar vervoer – vergroten de koopkracht. In een democratie beslissen gekozen volksvertegenwoordigers over de verhouding tussen particuliere versus collectief verschafte koopkracht. Uit een recent rapport van het Sociaal en Cultureel Planburau – De sociale staat van Nederland 2009 – blijkt dat het vrij besteedbare aandeel van gezinnen in het nationaal inkomen in de afgelopen tien jaar is gedaald van 65 tot 55 procent. Het aandeel van door de overheid verschafte koopkracht in het nationaal inkomen (vooral zorg) nam toe tot 34 procent. Nederland lijkt dus op weg te zijn naar een kostschooleconomie. Rechts wil die trend keren door in de komende kabinetsperiode globaal gesproken dubbel zoveel te bezuinigen als links. Die forsere ingrepen scheppen binnen de begroting ruimte om het onrustbarende tekort sneller weg te werken en de belastingen wat te verlagen. Het vrij beschikbaar inkomen van gezinnen neemt hierdoor een fractie toe, maar als gevolg van de bezuinigingen daalt de door de collectiviteit verschafte koopkracht. Liberalen hebben daarmee geen moeite. Zij denken dat mensen zelf het beste weten hoe ze hun persoonlijke portie van het nationale inkomen wensen te besteden. Links denkt dat te forse bezuinigingen tot gevolg hebben dat essentiële voorzieningen financieel onbereikbaar worden voor mensen met een smalle beurs en hecht daarom sterker aan collectief verschafte koopkracht.

De belofte dat de belastingen omlaag kunnen of in elk geval niet omhoog hoeven, valt goed bij de kiezers, ook wanneer zij niet in de categorie van de maagmensen vallen. Dat daartegenover collectief verschafte koopkracht wegvalt, blijft vaak onderbelicht. Bovendien doen partijen hun belastingbeloften niet gestand. Aan de vooravond van het eerste kabinet-Balkenende beloofden VVD en CDA om de collectieve lasten in de periode 2003–2006 met enkele miljarden euro’s te verlagen. Uiteindelijk heeft deze groen-blauwe combine, achtereenvolgens versterkt met LPF en D66, de belastingen in deze vier jaren juist met negen miljard euro verzwaard (zie grafiek). De geschiedenis herhaalt zich. In 2006 belooft de PvdA de lasten gelijk te houden, het CDA wil ze heel licht verhogen. De groen-rode combinatie, versterkt met de CU, heeft de lastendruk in de periode 2008–2010 vervolgens met vijf miljard euro opgevoerd. Alle ervaringen uit de jaren nul leren dat burgers wantrouwig moeten zijn, wanneer politieke partijen zich in de verkiezingstijd uitspreken over de fiscaliteit.

Stel dat partijen bij de kabinetsformatie straks middelen vinden om de belastingdruk met bijvoorbeeld twee miljard euro te verlichten. Dan zullen burgers merken dat zij desondanks meer gaan betalen. Dat komt, doordat alle financiële consequenties van het nieuwe coalitieakkoord worden afgezet tegen de ontwikkeling van de overheidsfinanciën in een situatie waarin het nieuwe kabinet uitsluitend op de winkel past. Het Centraal Planbureau (CPB) becijfert dat in die beleidsarme situatie het lastenpeil tot 2015 toch met tien miljard euro oploopt. Vooral, doordat de premies en eigen betalingen voor de ziektekostenverzekering met ruim acht miljard euro stijgen. Daarnaast loopt de lastendruk sluipenderwijs op door ‘schijfkruip’. De lengte van de tariefschijven en het bedrag van de heffingskortingen van de inkomensheffing worden jaarlijks aangepast aan de inflatie. Voor de komende kabinetsperiode rekent het CPB met 1,5 procent inflatie, terwijl de inkomens gemiddeld met 3 procent groeien. Doordat de inkomens sneller toenemen dan de inflatie, schuiven veel belastingbetalers door naar een zwaarder belaste tariefschijf. Het CPB zegt dat het aantal mensen dat met het toptarief van 52 procent te maken heeft hierdoor in de komende kabinetsperiode toeneemt tot meer dan een half miljoen. Zodoende komt belastingverlaging slechts neer op minder belastingverhoging.

Deze nuance is mogelijk te subtiel voor tv-debatten, waarbij een premie op oneliners staat. Kiezers die zich goed willen informeren kunnen die uitzendingen dan ook beter overslaan.