De stelling van René van der Linden: Uitgangspunt moet niet een kabinet zijn dat steunt op minderheid

Geert Wilders wordt nog lang geen premier van Nederland, zegt Eerste Kamervoorzitter René van der Linden (CDA) tegen Frank Vermeulen. Van der Linden maakt zich, vanwege de grillige peilingen, zorgen over de regeerbaarheid van het land.

Wat is de les van de uitslag van de verkiezingen in het Verenigd Koninkrijk voor Nederland?

„Het is nog een keer duidelijk geworden dat het districtenstelsel daar geen goede afspiegeling oplevert van de werkelijk uitgebrachte stemmen. De stemverhouding wordt op zijn kop gezet. Als het Verenigd Koninkrijk geen lid was van de Raad van Europa en zou willen toetreden, dan zou het land vanwege dit kiesstelsel niet worden toegelaten.”

In Groot-Brittannië komt nu misschien een kabinet zonder meerderheid in het parlement. Dat wordt ook wel genoemd als een mogelijkheid in Nederland omdat politieke peilingen voorspellen dat er na de komende Tweede Kamerverkiezingen misschien geen normaal meerderheidskabinet valt te formeren. De regeerbaarheid van het land zou in gevaar zijn.

„Vroeger was de stembusuitslag redelijk voorspelbaar. Maar nu is de situatie zo volatiel, dat daar van tevoren niets over valt te zeggen. Maar de regeerbaarheid van het land moet zowel de Eerste als de Tweede Kamer altijd een zorg zijn. En ik denk dat ook politieke partijen de regeerbaarheid voorop moeten stellen.”

Er wordt wel gesproken over een minderheidskabinet dat kan regeren met gedoogsteun van PVV.

„Daar ga ik echt niet over speculeren. Maar ik vind niet dat een minderheidskabinet het uitgangspunt moet zijn. Ik vind dat politieke partijen verplicht zijn om te kijken of zij een goede regeerbare meerderheid kunnen gaan vormen.”

Fractievoorzitter Halsema (GroenLinks) heeft gezegd dat regeringsdeelname van Wilders na de verkiezingen nu al is uitgesloten, omdat de PVV niet in de Eerste Kamer is vertegenwoordigd. Een kabinet waaraan de PVV deelneemt zal bijgevolg direct kunnen struikelen in de Senaat.

„Dat laat ik voor rekening van mevrouw Halsema. Zij weet ook wel – zonder dat ik voor welke coalitie dan ook wil pleiten – dat iedere regering die gevormd wordt zich moet afvragen of zij wel voldoende steun in de Eerste Kamer heeft. Of dat links- of rechtsom is, dat maakt die regering dan wel uit. We hebben in het verleden wel gezien dat het politieke consequenties kan hebben als er op een bepaald onderwerp onvoldoende steun is voor het kabinet in de Eerste Kamer.”

Halsema heeft dus gelijk?

„Dat zou kunnen. Men gaat er bij dat soort speculaties van uit dat de PVV regeringsverantwoordelijkheid zou willen dragen.”

Wilders heeft gezegd dat hij wel minister-president wil worden.

„Hij heeft in twee gemeenten meegedaan aan de gemeenteraadsverkiezingen. Daar is hij de grootste en de op een na grootste partij geworden. Tevoren werd toen ook gezegd dat de PVV daar streefde naar bestuursverantwoordelijkheid. Nou, we hebben gezien hoe het afgelopen is. [De PVV bleef in de oppositie, red.] Ik denk dat nog veel water door de grote rivieren zal stromen voordat de heer Wilders premier wordt.”

In het kader van het verbeteren van de regeerbaarheid heeft uw partijgenoot Leers voorgesteld om de kiesdrempel hoger te maken om het politieke landschap wat overzichtelijker te maken.

„Daar ga ik niet over.”

Waarom niet, eigenlijk?

„De voorzitter van de Eerste Kamer moet zich afzijdig houden van partijpolitiek. Hij moet toezien op rol en positie van dit Hoog College van Staat. Als het om nationaal belang gaat, mag hij zich daarover uiten.”

Maar dat is nog steeds geen antwoord op de vraag waarom.

„Ik ben met overweldigende meerderheid gekozen tot voorzitter, dat vond ik geweldig eervol. Dat betekent: noblesse oblige. Ik moet de belangen van de Senaat als geheel in acht nemen. En respecteren dat er verschillen zijn en ook dat de kleinere fracties in de Eerste Kamer tot hun recht komen.”

De voorzitter in de Tweede Kamer wordt regelmatig geconfronteerd met discussies over de vergroving van de omgangsvormen in het parlement. Jeuken uw handen als u daarnaar kijkt?

„Nee, ik laat me absoluut niet uit over anderen.”

Maar waarom is dat? U bent toch ook een gekozen politicus?

„Nee, want ik vertegenwoordig de Eerste Kamer.”

Mensen zijn heus wel verstandig genoeg dat ze uw functies uit elkaar kunnen houden. Speelt u niet een beetje kiekeboe?

„Helemaal niet. Ik waak er zeer voor dat ik mij in politieke uitspraken ga begeven die zeer gevoelig liggen omdat ik vind dat ik herkenbaar moet zijn als voorzitter van alle leden van alle fracties. Mijn politieke opvattingen ventileer ik binnen de fractie van het CDA waarvan ik deel uitmaak. En ik heb al veel dingen gezegd.”

Maar als ik een vraag stel over het kiesstelsel geeft u niet thuis. Kiezers mogen toch weten wat u daar als politicus van vindt?

„Daar heb ik uitgesproken opvattingen over, maar daar ga ik niks over zeggen.”

En u zegt ook niets over uw advies aan de koningin inzake de kabinetsformatie na de verkiezingen.

„Het zou ongepast en ongehoord zijn als de voorzitter van de Eerste Kamer maar iets zou aangeven van wat hij tegen de koningin gaat zeggen.”

Maar dát is toch juist ongepast? U bent niet door de koningin gekozen. Kiezers hebben als eerste het recht om te weten wat uw mening is over een nieuw kabinet.

„Het gekke is: ik hou veel spreekbeurten en spreek veel met mensen, ook met jongeren, en men heeft er absoluut begrip voor dat ik mij niet kan uitlaten over actuele politieke kwesties in mijn functie.”

U heeft eind april voor het eerst Algemene Europese Beschouwingen georganiseerd in de Eerste Kamer.

„Ja, en dat heeft een waardevol debat opgeleverd. De voorzitter van de Eerste Kamer hoort bij te dragen aan de internationale oriëntatie van de Nederlandse politiek. Ik denk dat Nederland altijd bekendstond wegens zijn verdraagzaamheid, zijn open karakter en internationale oriëntatie. Op dat terrein was ons land voor veel landen een voorbeeld. Maar nu beginnen we in een aantal opzichten naar binnen gekeerd te raken. We vertonen neutraliteitstrekjes. En ik denk dat de politiek zich daar zorgen over moet maken, want de boterham van Nederland wordt toch voor een belangrijk deel in het buitenland gesmeerd. Wij horen thuis in de voorhoede van Europa.”

Veel politieke partijen benadrukken in de huidige monetaire crisis het nationale belang.

„Ik vind dat bijna alle crises ook goede kanten hebben. Een crisis legt de kwetsbaarheden van een samenleving bloot. Zo kwam uit de energiecrisis in de jaren zeventig de interne markt van de Europese Unie voort. De Val van de Muur in 1989, een crisis in Oost-Europa, leidde er mede toe dat we van een economische naar een politieke unie gegaan zijn in Europa. De aanslagen in New York, maar vooral in Madrid, Londen en Istanbul legden zwakheden bloot in het veiligheidssysteem. Dat heeft geleid tot afspraken in de Europese Conventie en het Verdrag van Lissabon dat Justitie en Binnenlandse Zaken deels een communautaire aanpak moeten krijgen. En op dit moment zie je dat de monetaire crisis aantoont dat we niet minder maar meer Europa nodig hebben om de euro te beschermen. Meer afspraken, regels en meer controle. De monetaire unie is niet af. Voor mij is de financieel-economische crisis ook of misschien wel in de eerste plaats een morele crisis. Omdat in een volledig vrije markteconomie het morele element ontbreekt. Dat is wat deze crisis blootlegt. De kwestie van waarden en normen is sinds het Verdrag van Lissabon in de EU onderdeel van beleid. Europa is vooral een waardengemeenschap.”

Oud-VVD leider Gerrit Zalm moest altijd erg lachen om die term.

„Zalm heeft terecht op de stabiliteitscriteria gehamerd, waarvoor groot compliment. Maar ik heb in het verleden gezegd dat hij aan de beeldvorming over Europa in Nederland niet zo’n geweldige bijdrage heeft geleverd door van de Unie te veel een centenkwestie te maken. Ondertussen is Nederland het land dat het meeste profiteert van de interne markt. Wij hebben de hoogste exportquote van de Unie. Als je daar tegenover zet dat slechts 3 procent van de overheidsuitgaven via de Europese begroting loopt, dan vind ik niet dat je daar een punt van moet maken. Daarmee breng je je eigen belang schade toe. Dat bedoel ik ook als ik zeg dat we steeds meer naar binnen gericht dreigen te raken.

„Begrijp me goed: op zich vind ik het terecht dat er zeer kritisch gekeken wordt naar hoe het geld in Europees verband wordt uitgegeven. Op een aantal uitgavenposten, waaronder de structuurfondsen, is kritiek op zijn plaats.”

Waar kan minder geld naartoe?

„Op het terrein van Defensie vindt in Europa door gebrek aan taakverdeling en specialisatie nog steeds een te grote verspilling plaats. Al die nationale systemen naast elkaar met volstrekt onvoldoende afspraken over samenwerking, die niet eens worden nageleefd.”

Een Europees leger zou efficiënter zijn?

„Ja, op de langere termijn is een Europees leger bijna onontkoombaar. Maar zo lang grote landen – met uitzondering van Duitsland – vasthouden aan een eigen leger, omdat ze daar hun identiteit aan ontlenen, gebeurt dat niet snel. Ik denk dat de nijpende financiële situatie ons er op dit moment toe dwingt daarnaar te kijken. Naar hoe we meer kunnen doen voor het zelfde geld en meer samenwerking in Europa.”

Waar denkt u aan?

„Ik vind dat burden sharing tussen de NAVO-landen een reëel punt is. Dat dus niet een paar landen alle lasten moeten dragen in financiële of militaire termen. Veiligheid en vrede is iets wat ons allemaal aangaat.”

Bedoelt u dat Nederland wel genoeg heeft bijgedragen aan de oorlog in Afghanistan?

„Daar ga ik niets over zeggen. Dat is een te hete brij. Daar kan ik me als voorzitter van de Eerste Kamer niet over uitspreken.”