De boosheid van 2010 en 1965

Het Griekse verleden is een verleden vol protest. In 1965 en 1974 voor de democratie. Nu richt de volkswoede zich tegen de partijen die sinds de junta regeren.

„De grootste demonstratie ooit” is de massale protestmars genoemd die woensdag door het centrum van Athene trok. Ten onrechte. In de zomer van 1965 beheersten wel een miljoen burgers de straten van de Griekse hoofdstad. Niet om economische redenen, maar omdat de jonge koning Konstantijn de grijze, democratisch gekozen premier Jorgos Papandreou (grootvader van de huidige premier) naar huis had gestuurd. Deze anomalie leidde binnen twee jaar tot de totale anomalie: de kolonelsdictatuur die ruim zeven jaar zou duren (1967-74).

Voordat het nachtelijk bevrijdingsfeest in 1974 daaraan een eind maakte, kwamen in Athene wederom honderdduizenden op straat. Een regering van nationale eenheid, onder de teruggeroepen Kostandinos Karamanlis, organiseerde een referendum, het eerste onberispelijke uit de Griekse geschiedenis dat leidde tot afschaffing van de monarchie. Het kwam tot processen tegen de juntaleiders en de folteraars (een vrijwel uniek verschijnsel), die voor vele jaren de gevangenis ingingen.

De metapolitefsi, de periode na de dictatuur, begon met opluchting. Het land kon niet meer terug naar de misstanden van na de burgeroorlog (1947-49): de politieke invloed van leger en vorst, de opdeling tussen ‘winnaars’ (rechts) en ‘verliezers’ (links) – waarbij laatstgenoemden grotendeels uitgeschakeld bleven. Onder Karamanlis werd de communistische partij weer erkend, onder zijn socialistische opvolger Andreas Papandreou (vader van de huidige premier) werden degenen die in de burgeroorlog links hadden gestaan in hun politieke rechten hersteld.

De anomalieën waren uit het Griekse openbare leven verdreven – daar was de junta voor nodig geweest. Wat echter niet verdween, waren andere misstanden die in het land al hadden geheerst vóór de junta: de corruptie, het cliëntelisme, waarbij politici de kiezers aan zich binden met het vergeven van baantjes en andere gunsten. Dit leidde vooral in de jaren na 1974 tot een overstelpende bezetting van het ambtenarenapparaat, inclusief die van de staatsbedrijven. Deze wantoestanden werden ernstiger naarmate de financiën uit de EU rijker begonnen te vloeien. Er kwamen ook steeds meer schandalen, het frequentst onder de regering (2004-09) van Kostas Karamanlis jr.

Zoals de politieke misstanden van de jaren ’40 tot ’60 op de ramp van de kolonelsdictatuur uitliepen, zo liepen de sociaal-economische misstanden uit op de huidige crisis, waarbij het land andermaal wordt vernederd. De grote vraag is: zal ook dit ergens goed voor zijn? Blijken misstanden in een volgende fase te zijn opgeruimd? Er zijn reformisten die dit voorspellen. En het is de boodschap van de huidige president en de premier, die nog veel respect genieten. De zure appel van de junta duurde zeven jaar, voor de komende ‘herrijzenis’ wordt vier à vijf jaar uitgetrokken.

Maar op kortere termijn dreigen er nog gevaren. De stemming in het land is in hoge mate anti-politiek geworden, de woede richt zich tegen de twee grote partijen die het land sinds 1974 hebben geregeerd. Na de jongste straatdemonstratie ging alle aandacht uit naar de brand in de bank, maar er was ook een – mislukte – bestorming van het parlementsgebouw, en die kwam niet van anarchisten. Het is waarschijnlijk onvermijdelijk dat men nu ook kreten gaat horen als ‘de kolonels maakten geen schulden’ en ‘onder de dictatuur waren er geen stakingen en geen anarchisten’.

Het zijn balorige uitingen, ook van jongeren die de akelige stem van de dictator nooit hebben gehoord. Te hopen valt dat het democratische sentiment van de honderdduizenden van 1965 niet verloren gaat in Griekenland.