Centrum-links: gematigdheid en redelijkheid om de boel bij elkaar te houden

Oud-hoofdredacteur van ‘Christen Democratische Verkenningen’, het tijdschrift van het wetenschappelijk instituut van het CDA. Hij werkte eerder als (politiek) redacteur bij ‘Vrij Nederland’ en ‘Trouw’. Zijn laatste boek is ‘Geschiedenis van de Christelijk-Historische Unie, 1908 - 1980’ (2008), samen met Ron de Jong.

Ondanks het beeld van mismaaktheid en onmacht dat het gevallen kabinet-Balkenende/Bos aankleeft, is een hernieuwd optreden van een coalitie met CDA en PvdA verkieslijk. Zowel ideologisch als bestuurlijk staan christen-democraten en sociaal-democraten in een traditie van redelijkheid en gematigdheid. Dat verschaft hun de beste papieren om te voorkomen dat de maatschappelijke spanningen die gepaard zullen gaan met de sanering van de staatschuld, zich ontladen tegen minder weerbare mensen, immigranten niet in de laatste plaats.

Een economie in crisis is gebaat bij een klimaat waarin elk talent de kans krijgt zich te ontplooien en mensen niet worden gediskwalificeerd op grond van een afwijkende cultuur of religie. De boel bij elkaar houden is dus ook nuttig om de boel op gang te houden.

Daarom verdient het de voorkeur dat partijen regeren die in religie geen probleem zien, maar een bron van morele opvattingen, gelijkwaardig aan andere bronnen en daarom met gelijke rechten op een stem in het publieke domein. De lijsttrekker van de PvdA, Job Cohen, is die opvatting toegedaan, meer dan zijn eigen partij. En dat geldt ideologisch ook voor het CDA, hoewel dat in een benauwende liefdesverklaring aan de ‘Nederlandse mentaliteit’, in de woorden van het verkiezingsprogramma, nog wel eens meegaat met initiatieven om moslims in hun rechten te beperken. Daarom is het goed als de ChristenUnie bij centrum-links aanschuift, de partij die in haar politieke stellingname het meest consequent ‘het recht om af te wijken’ doordenkt, oftewel het pluralisme van de moderne samenleving.

Het ligt niet voor de hand de VVD bij de regeermacht te betrekken, in de nasleep van een economische crisis die is ontstaan doordat de vrije markt ontspoorde in financiële bandeloosheid. In het verkiezingsprogramma stellen de liberalen als vanouds de politiek in dienst van de economie, waarmee zij vervallen in een oude fout. Juist het blinde vertrouwen in de pseudorationaliteit van de vrije markt bracht ons de kredietcrisis.

Het VVD-programma biedt een curieuze mengeling van een stoer bezuinigingsprogramma, waarbij de generaties van nu alle lasten op hun schouders krijgen, met het doorschuiven van enkele rekeningen naar de toekomst. Dat laatste geldt zowel voor de almaar oplopende staatssubsidie voor hypotheekschuld, in de vorm van de hypotheekrenteaftrek, als voor de milieulast die de auto veroorzaakt, waaraan de VVD weigert iets te doen om de automobilist niet voor het hoofd te stoten.

Het ontbreekt in de VVD-benadering van economie en milieu aan de notie dat wie profiteert van vrijheid, ook de verantwoordelijkheid heeft om daar zorgvuldig mee om te gaan. Die notie is, als het om de economie gaat, wel geïncorporeerd in het Rijnlandse model. De vrijheid van de onderneming wordt daarin begrensd door de verantwoordelijkheid die werkgevers en werknemers jegens elkaar hebben, waarbij geen van de betrokkenen ten koste van de ander het onderste uit de kan wil halen.

Dat model, traag en soms zelfs stroperig, doet in slagvaardigheid onder voor het Angelsaksische, maar daar staat tegenover dat het een bestuurlijke attitude van redelijkheid en gematigdheid bevordert. Dat is geboden, nu de noodzakelijke sanering van de staatsschuld onontkoombaar gepaard zal gaan met ingrepen die het inkomen van burgers en hun financiële en sociale zekerheden onder druk zullen zetten.

VVD’er Frits Bolkestein zei ooit dat Rijnland hem deed denken aan de starheid en het immobilisme van de saletjonkers uit de pruikentijd. CDA en PvdA daarentegen staan in de traditie van het Rijnlandse model. Ook daarom verdient een coalitie met deze twee partijen in deze tijd de voorkeur. Voorwaarde is wel dat het CDA, in navolging van de PvdA, van leider wisselt en ook enkele missers in zijn programma corrigeert. Het CDA zet met de bezuinigingen in zijn programma nu even stoer in als de VVD en legt bovendien een taboe op beperking van de hypotheekrenteaftrek. Het doet inconsequent aan dat de christen-democraten zich zo te sappel maken over de staatsschuld, ondanks alle risico’s op maatschappelijke ontwrichting die met een radicale sanering gepaard gaan, en tegelijkertijd doodgemoedereerd de hypotheekschuld laten oplopen.

Geestverwante economen als Lans Bovenberg en Bert de Vries weten beter. Helaas lijden zij onder de kadaverdiscipline en de eenheidsdwang in het CDA, waardoor hun kritiek eerder als deloyaal zal worden afgedaan dan erkend als nuttige tegenspraak die de geesten scherp houdt.

Evenzeer ten onrechte treft dat lot CDA’ers die, al dan niet binnenskamers, aandringen op een leiderswisseling. Omwille van waakzaamheid voor gewenning aan de macht, is er alle reden om iemand die acht jaar premier is geweest het stokje te laten overdragen. Maar dat is niet de enige reden waarom een eervol terugtreden van Balkenende op zijn plaats zou zijn. Hoewel hij alle waardering verdient voor zijn prestaties als premier, blokkeert Balkenende met zijn politieke verleden nu de meest gewenste coalitie. Het is mede aan hem te wijten dat het kabinet-Balkenende/Bos er wel zat, maar nooit stond, in een typering van politiek commentator Hans Goslinga. Net als Wouter Bos was Balkenende in het kabinet, als het erop aankwam, eerder partijman dan dienaar van het landsbelang, waardoor partijpolitieke rivaliteiten het kabinet binnenslopen. Dat maakte het Balkenende en Bos onmogelijk voorbij het kortetermijnbelang te kijken en in de geschiedenis van hun beider partijen de geestverwantschap te onderkennen. Die blokkade moet weg, wat in de eerste plaats vereist dat in het nieuwe kabinet geen partijleiders zitting nemen.