'Altijd zorgen om mijn vader'

De jeugd van Monique Chabot (1946) stond in het teken van haar vaders ziekte. ‘Ons leven werd ingeperkt.’

‘Mijn vader at gepureerde groene groente, drooggekookte rijst, gemalen aardappels en kleine witte boterhammetjes zonder korst. Verder niets. Als hij ooit van zijn dieet afweek, kreeg hij nog diezelfde nacht een vreselijke darmaanval, met diarree en braken. We gingen nooit uit eten, maar op visite kreeg mijn vader wel eens zin in iets wat niet goed voor hem was. Mijn moeder was daar fel op tegen en berispte hem dan, in gezelschap. Zij kende de gevolgen. Ze was mijn vaders verpleegster, hun hele huwelijk lang. Ze heeft heel wat passe-vites en mixers versleten.

„Nu is er veel meer over bekend, maar toen mijn vader op zijn 21ste de ziekte van Crohn kreeg, snapte niemand wat er met hem aan de hand was. Hij woog nog maar 29 kilo en was al min of meer opgegeven toen een arts in het Coolsingelziekenhuis in Rotterdam uiteindelijk een paardenmiddel op hem uitprobeerde dat wel aansloeg. Mijn vader overleefde het, maar hij is altijd zwak en tenger gebleven.

„Mijn vader was kunstschilder. Hij kwam uit een van oorsprong Brabants arbeidersgezin en moest net als zijn broers en zussen meteen na de lagere school aan het werk. Maar vanaf zijn zestiende ging hij ook naar de kunstacademie, ’s avonds. Hij volgde het voorbeeld van Henk, zijn oudste broer. Henk was dertien jaar ouder, en een beetje de man in huis. Mijn vader keek tegen hem op.

„Tegen de tijd dat mijn vader zich als schilder kon vestigen, had Henk al een eigen atelier en exposeerde hij regelmatig bij Kunstzaal Van Lier in Amsterdam. Hij verkocht goed. Mijn vader stond vanaf het begin in zijn schaduw, en het ontbrak hem aan de kracht en het zelfvertrouwen om daar iets tegen te doen. Hij vond zichzelf ook echt een minder goede kunstenaar dan zijn ‘knappe broer’, zoals hij Henk noemde. Hij haatte Henk er niet om – integendeel, hij was erg op hem gesteld. Maar het deprimeerde hem wel.

„Mijn vader liep tegen de dertig toen hij mijn moeder voor het eerst zag. Hij logeerde met twee vrienden uit Rotterdam een weekendje bij een familie in Antwerpen, en daar was de naaister opgetrommeld om te komen helpen met het bezoek. ‘Zo, is dat nou Madeleintje?’, zei mijn vader plomp toen mijn moeder de kamer binnenkwam. Ze vond hem heel brutaal. Ze viel niet op hem. Later vroeg hij of hij haar eens een brief mocht schrijven en dat vond ze wel goed. Hij kwam haar opzoeken, met de fiets, en zo raakte het langzaam aan. Mijn moeder stemde in om met mijn vader te trouwen als hij eerst katholiek zou worden. Dat deed hij.

„Ik ben geboren in 1946, maar het eerste kind van mijn ouders, ook een meisje, was vier jaar eerder tijdens de bevalling overleden. Negen jaar na mij kwam Raymond, mijn broer. Hij heeft het syndroom van Down en heeft maar zes jaar bij ons kunnen wonen. Ik denk dat de tijd rond deze foto voor mijn ouders een van de gelukkigste uit hun leven was. Mijn vader had nooit gedacht nog vader te zullen worden.

„Behalve de oogappel van mijn ouders was ik ook een beetje het kind van oom Henk en zijn vrouw, tante To, die zelf geen kinderen hadden. Ik heb vaak in hun huis aan de Rotte gelogeerd. Na de dood van oom Henk in 1949 werd mijn band met tante To nog hechter.

„Emotioneel was mijn jeugd zwaar. Er waren altijd zorgen om mijn vader en ons leven werd door zijn ziekte drastisch ingeperkt. Alle leuke dingen moesten van mij komen, zo voelde het. Maar ik was ook verwend, hoor. Ik kreeg veel aandacht. Ik ben tot mijn 23ste bij mijn ouders gebleven. Mijn verloofde kwam er gewoon bij.”

Haar vader en haar oom bezetten haar muren: Henks verweerde arbeiders hangen naast landschappen en wolkenluchten van Willem. Zij houdt van allebei.

Heeft u ook een interessante familiefoto?Mail naar weekblad@nrc.nl