4 mei als leiderschapstest: karaktervol improviseren

Groot-Brittannië moet sinds gisteren wennen aan de onoverzichtelijkheid waar Nederland soms zo genoeg van heeft: een parlement waarin geen partij of politieke visie de baas is. Opnieuw ontzegde de Britse variant van het districtenstelsel tweederde van de Britten een vertegenwoordiger in het Lagerhuis. Zonder dat een duidelijke meerderheid werd aangewezen, van oudsher de troefkaart van een districtenstelsel.

De Britten oefenen nu huiverend met het woord ‘coalitie’. Terwijl de City hunkert naar vastigheid in de voortdenderende Griekse crisis. Onderhandelen is niet wat ‘de markten’ willen. Zelfs de schijn van zekerheid is beter.

Geen systeem brengt automatisch democratische vrede en gerechtigheid. Als Nederland overstapte naar een kiesstelsel waarin de kandidaat met de meeste stemmen de zetel van een district zou winnen, dan zouden allerlei verontwaardigden hun stem niet in de Tweede Kamer kunnen laten horen. Dat wil men hier niet. Liever compromissen. Chronische onhelderheid is de prijs voor ruime vertegenwoordiging.

Wat bij de Britten de komende dagen en weken acuut geldt, dat moed en leiderschap de kwaliteit van een democratie bepalen, dat ervaart Nederland al zolang iedereen zich kan herinneren. In een vlak landschap zonder politieke hoogvliegers rekent bijna niemand op Leiderschap. Maar iedereen droomt er wel eens van. Vandaar het briesje opwinding, ook buiten zijn PvdA, toen Job Cohen zich kandideerde.

Intussen daalt de nieuwe PvdA-lijsttrekker gestaag in de peilingen. Een ‘doe maar gewoon’-effect? Wie denk je dat je bent? Waar was je bij de Noord-Zuidlijn? Weet je wel genoeg van economie? We verlangen naar leiderschap, maar wantrouwen het ook. Daarachter gaat de zelden volledig uitgesproken vraag schuil: wat voor leider zou je zijn als het erop aankomt? Wat in de Amerikaanse politiek ‘the character issue’ wordt genoemd.

De meeste situaties in een parlementaire democratie worden geregeerd door regels. Zeker in Nederland. Procedures en voldongen feiten beschermen leiders tegen mogelijke schade. Maar er zijn van die momenten die ontsnappen aan wet en gewoonte. Zelfs aan het ongeschreven staatsrecht. De Schreeuw van 4 mei was van alle tijden. De reacties zeggen iets over leiderschap in 2010.

Job Cohen stond op de Dam, niet ver achter de koningin. Haar leiderschap was tastbaar en oogstte bewondering, op een enkele twitter na. Wat de man die de volgende premier wil worden zou hebben gedaan, weten we niet. Cohens rol was stilzwijgend. De huidige minister-president, zijn CDA-tegenvoeter, had de kans iets te doen met het buitengewone moment. Hij was de eerste spreker na de onderbreking van de plechtigheid.

En wat maakte Jan Peter Balkenende van die gelegenheid voor het oog van de natie? Hij las zijn toespraak voor en prees Miep Gies. Adequaat voor iedere andere 4 mei. Een gebaar, één zin, een verwijzing naar de angst dat er weer ‘iets’ zou gebeuren, het had de ceremonie boven het verstolde verdriet van 65 jaar geleden uitgetild. Het had Wouter Bos ongelijk kunnen geven, die Balkenende anderhalf uur later op de EO-televisie ongeschikt voor het premierschap noemde. Lachend, zonder aarzelen.

Een dag later werd Job Cohen in Pauw & Witteman gevraagd wat hij van die diskwalificatie vond. Hij had geen zin in die situatie. Wilde niet aan het reactie-spelletje meedoen. Begrijpelijk instinct, inadequaat uitgevoerd. Hij kan in zijn rol als late semi-nieuwkomer globaal twee dingen doen: of de tegenstander als hopeloos mislukt en dus onbekwaam voor het Catshuis definiëren of een zo helder plan voor Nederland uitdragen dat men je smeekt het uit te voeren.

De verdampende opwinding over Cohens kandidatuur lijkt steeds meer te maken te hebben met zijn huidige leiderschap. De boel bij elkaar houden is niet wat de PvdA nodig had. Er was achterstallig onderhoud in het formuleren van de eigen idealen. Bos had er in zijn dubbelfunctie in het kabinet geen tijd voor, het partijapparaat was verzwakt en verhuisd naar Den Haag. Bos maakte plaats voor de juiste man voor deze tijd. Maar zie wat er dan gebeurt?

Het lijkt wel of Wouter Bos nog nooit zo veel tijd heeft gehad voor zijn partij. Hij schrijft het programma, hij wiedt onafhankelijke geesten als Paul Kalma van de lijst, en begint aan een langzamerhand luxueuze afscheidstournee langs bladen en tv-studio’s. En doet uitspraken waar Cohen dan weer op moet reageren. Geadviseerd door het soort rommelige campagneteam dat Wouter Bos in 2006 op de keien hielp.

Leiderschap is luisteren en samenbinden. Maar ook je eigen regels stellen. En de mensen om je heen verzamelen die jouw stijl en visie belichamen. Job Cohen staat voor zijn Rubicon. Doorrijden op deze gammele bakfiets of met de hem eigen vriendelijkheid knopen doorhakken en leiding gaan geven. Zichzelf zijn én keuzen durven presenteren.

Wat dat betreft is de uitdaging voor Jan Peter Balkenende niet minder groot. Hij zat ook na afloop van de 4 mei-ceremonie ernaast met zijn ‘bewuste actie’-commentaar. Zoals ook hij nog geen zichtbare leiding heeft genomen om het CDA eindelijk een eigen gezicht te geven.

De VVD mag voorlopig groeien, en PVV en D66 dalen in de peilingen, het ongenoegen blijft voelbaar. Voor de Nederlandse politiek geldt in hoge mate wat de uitmiddelpuntige burgemeester van Londen, de Conservatief Boris Johnson gisteren zei over de Britse verkiezingsuitslag: „Het is een verpletterende afwijzing van alle politieke partijen.” Leiding geven door niet te kiezen, dat is niet waar ons soort landen op zit te wachten in de grootste Europese crisis sinds de Tweede Wereldoorlog.

Wilt u reageren? Email de auteur (opklaringen@nrc.nl) of schrijf online op www.nrc.nl/opklaringen.