Videogame wint het in deze eeuw van de film

Recentelijk deelde ik in Londen een taxi met filmmaker Guillermo del Toro naar Heathrow. Een gevierd filmmaker uit Mexico, die zijn blockbusters (Hellboy) en arthousefilms (Pan’s Labyrinth) doordesemt met een broeierige, katholieke barok. Del Toro noemde de fusie van film en videogame in een nieuwe kunstvorm zijn ‘heilige graal’. Complete werelden wilde hij ontwerpen, die je kon exploreren of uitbreiden.

Maar dat is toch gewoon een videogame, wierp ik tegen. Film en videogame kunnen niet werkelijk fuseren omdat ze iets tegengestelds nastreven. Een videogame vereist actieve deelname, film passief ondergaan. Film dompelt onder, sleept mee. Moet de kijker zelf in beweging komen, dan lossen de illusie en de magie meteen op. Inmiddels waren we bij de passagiersbalie. „Toch kan het. Wij zijn de eerste multimediageneratie! Wij vinden het uit!”, riep Del Toro op weg naar de douane.

Dat schoot me te binnen nu ik de balans opmaak van de derde ronde in de polemiek tussen de 67-jarige filmcriticus Roger Ebert en de videogamewereld. Vorige maand heropende Ebert het debat over zijn stelling dat ‘de videogame principieel geen kunstvorm kan zijn’. Net als in 2005 en 2007 volgde een lawine tirades en tegenwerpingen: Ebert scherpt de geest.

De filmcriticus stelt provocerend dat geen enkele videogame de vergelijking met werken van „grote dramaturgen, dichters, filmmakers, schrijver en componisten kan doorstaan”. Videogames betekenen dus „het verlies van kostbare uren die ons ter beschikking staan om gecultiveerder, beschaafder en gevoeliger te worden”. Videogames – het woord zegt het – zijn in zijn ogen een vorm van sport. In sport bepalen spelers het verloop en de uitkomst, in de kunst een auteur. Schaak kan esthetisch zijn, het kunst noemen is begripsvervaging. Zonder auteur geen kunst.

Eberts utilitaire definitie van kunst, die moreel, esthetisch of intellectueel verrijkt, doet antiek aan: broccoli voor de geest. Sinds Marcel Duchamp in 1917 een urinoir in een museum hing, valt kunst nog hooguit sociologisch te definiëren. Het medium – doek, steen, celluloid, cd – doet er niet toe, alleen de consensus van kunstenaars, critici en publiek. Kunst is wat in een museum hangt. En bezoek je nu een museum, dan besef je dat Ebert een achterhoedegevecht levert. Een interactieve installatie die de bezoeker deel maakt van het kunstwerk, lijkt zo’n beetje verplicht. Achter zo’n installatie – en achter een videogame – schuilt wel degelijk een auteur. Hij ontwierp het doolhof waarin wij links- of rechtsaf mogen slaan.

Eberts positie is wel begrijpelijk. Hij lijkt op de theatercriticus die een eeuw geleden toekeek hoe het vulgaire massavermaak film zijn kunstvorm overvleugelde. Zo is de videogame nu hard op weg film te overvleugelen. Dat een filmmaker als Del Toro videogames eigenlijk fascinerender vindt, is een veeg teken. Niet zozeer van het eind van de film, net zomin als film het eind van theater was. Wel dat film, de invloedrijkste kunstvorm van de twintigste eeuw, dat in de 21ste eeuw niet zal zijn.