Kalme traditie versus de gekte

De shortlist van de Librisprijs toont dat de Belgen cijfermatig beter zijn. Maar zijn de Vlaamse romans ook echt beter? Loopt er een literaire grens door de Lage Landen?

Het wedstrijdverslag zou er zo uitgezien hebben: ‘Al vroeg in de wedstrijd kwamen de Belgen op voorsprong door de oude verdediger Van den Broeck, die plotseling opdook in het Hollandse strafschopgebied. Halverwege de eerste helft leek de verrassend in de basisopstelling opgenomen Vlaming Bernard Dewulf de wedstrijd al te beslissen: 2-0. De Nederlanders kwamen echter bijzonder fris uit de kleedkamer. Al in de eerste minuut na rust maakte Marie Kessels met een afstandsschot de aansluitingstreffer, waarna Mensje van Keulen een aanval over verschillende schijven kalm afrondde. De 2-2 van Van Keulen was de opmaat voor een reeks Nederlandse aanvalsgolven, maar de gelauwerde voorhoede Nooteboom-Wieringa-Rosenboom faalde oog in oog met de keeper. Prompt viel het doelpunt aan de andere kant: de geïnspireerd spelende middenvelder Lanoye wist de Belgen na een imposante solo weer op voorsprong te brengen, waarna Peter Terrin de strijd besliste met de mooiste goal van de middag. „We hebben gedaan wat in onze macht lag”, zei de verliezende trainer Mulisch na afloop, „maar de Belgen waren beter”.

De Belgen zijn beter. Onder die kop publiceerde ik ruim vier jaar geleden een stuk in deze bijlage over de nieuwe generatie Vlaamse schrijvers. Aanleiding was de verschijning van De helaasheid der dingen van Dimitri Verhulst en Reus van Annelies Verbeke. Het artikel ging ook over het werk van hun generatiegenoten Stefan Brijs, Peter Terrin, Saskia de Coster, Jan Van Loy, Paul Verhaegen, Jeroen Theunissen en Erwin Mortier, waar een frisheid uit sprak die bij jonge Nederlandse auteurs hoge uitzondering was.

Inmiddels hebben de nieuwe Vlamingen een prominente plaats in de eredivisie van de Nederlandse literatuur: Verhulst en Mortier wonnen de Libris- en AKO-prijs 2009, als eerste Vlamingen sinds Hugo Claus in 1997. En dit jaar zijn er zelfs vier Vlaamse boeken genomineerd voor de Librisprijs, die op 10 mei wordt uitgereikt. Waarbij de andere twee nominaties zijn gegund aan vertegenwoordigers van die andere lang misdeelde literaire ‘minderheidsgroep’: vrouwen – maar dat is een ander verhaal.

Cijfermatig zijn de Belgen beter. Maar zijn de genomineerde Vlaamse romans beter dan de Nederlandse, of überhaupt anders? Loopt er een literaire grens door de Lage Landen?

Zo’n grens lijkt er vooral te zijn als je aan de noordkant begint. Een goed verhaal van Mensje van Keulen en Ruw van Marie Kessels staan in eenzelfde kalme traditie. Zowel de verhalenbundel van Van Keulen als de roman van Kessels is met zorg geschreven, schuwt het theater en laat de mens zien in de beslotenheid van zijn bestaan. Bij Van Keulen gaat het daarbij in de eerste plaats om relaties, bij Kessels is die beslotenheid nog pregnanter: zij beschrijft het leven van een vrouw die ineens blind is geworden. Beiden doen dat met groot vakmanschap. Zo kan ‘De eerste man’, het openingsverhaal van Een goed verhaal, zo in het handboek voor korteverhalenschrijvers. Met veel gevoel voor suspense en timing vertelt Van Keulen over een vrouw die na jaren haar vader weer ontmoet. En voor het eind heeft ze nog een mooie wending in petto. Ook in de overige vijf verhalen laat Van Keulen zien wat gevoel voor plot en een lichte, humoristische toon vermogen. Maar wat in Een goed verhaal ontbreekt, is één of twee verhalen die ontregelen, waar je door in verwarring wordt gebracht.

Ook Ruw van Marie Kessels mist een ontregelend effect, wat vreemd is omdat de hoofdpersoon haar hele leven ondersteboven gegooid ziet. Door de openzwaaiende deur van een busje wordt ze van de ene op de andere dag blind. Deze Gemma laat zich echter niet uit het veld slaan, ook niet nu de straten in haar stad veranderd zijn in een soort avonturenpark, waar elk moment een stoeprand of fietsstuur uit het niets tevoorschijn kan springen.

Ondanks alles trekt ze er ’s nachts op uit, alleen. Nieuwsgierig en gefascineerd vertelt de hoofdpersoon over hoe anders het is om braille te lezen. Het maakt de roman razend knap, je zou het boek aan alle vrienden van alle blinden willen geven. Maar aan wie nog meer?

Het succes waarmee de hoofdpersoon zich tegen de dreigende chaos van de blindheid verzet, heeft een dempend effect op de roman, wat het lastig maakt je werkelijk aan Ruw over te geven: het ontbreekt aan dramatische – of filosofische – spanning. Kort gezegd: de boeken van Kessels en Van Keulen zijn wel goed, maar niet gek. Dat is een euvel dat in het Nederlandse proza een lange traditie heeft: ingetogenheid heeft hier nu eenmaal altijd meer tot de verbeelding gesproken dan exuberantie. In het geval van de Librisprijs 2010 lijkt de jury bovendien vooral geporteerd van het kleine. De boeken van Kessels en Van Keulen zijn niet representatief voor de hedendaagse Nederlandse literatuur. Schrijvers verleggen hun belangstelling de laatste tien jaar steeds meer van het individu naar de samenleving, zoals vorig jaar uitgebreid werd bediscussieerd rondom de verschijning van Thomas Vaessens’ De revanche van de roman.

De juryvoorkeur blijkt nog meer uit de nominatie van Kleine dagen van Bernard Dewulf, columnachtige stukjes over gezinsleven, groei en verandering – Dewulf was jaren columnist van

Vervolg Librisprijs op pagina 2

De jury geeft de voorkeur aan kleine, persoonlijke verhalen

De Morgen. Soms komt hij tot mooie observaties, maar het opmerkelijkste is zijn stijl: ‘Zomeravond in het park. Grote mensen en kinderen bijeen. Wij drinken en eten, spreken en spelen, koetjes en kalfjes, wijn en olijven, sap en chips. Vaders voetballen tegen zonen, zonen voetballen met vaders tegen andere vaders en zonen. Een strijd tussen nieuw en oud testosteron.’ Het is een taal die doorgaat voor poëtisch, en door de Librisjury ook als zodanig beoordeeld zal zijn, maar waar ik niet meer in kan zien dan een aanval van aanstelleritis. Van de baby die de fles ‘naar zich toehuilt’ tot ‘Er groeit een verte in hen waar ik niet zal zijn’: schijnpoëzie die je het zicht ontneemt op de kinderen waar Dewulf over schrijft. Gewild gek, maar niet goed.

Echt gek wordt het pas bij Walter van den Broeck in zijn ongegeneerd rommelige, half-esoterische crisisroman-met-thrillerelementen Terug naar Walden. Daarin staat de rijkste en machtigste man ter wereld centraal, de hoogbejaarde Ruler Marsh. Die krijgt op een ochtend te horen dat hij een dodelijke ziekte onder de leden heeft en zet dus aan voor het zinderende slotakkoord van zijn leven. Met één telefoontje (‘Verkopen. Nu’) stort hij de wereld in een economische apocalyps. Hij verlaat vervolgens Manhattan en neemt het vliegtuig naar België, het land van zijn voorvaderen, waar hij zelf nooit is geweest. Daar komt hij in contact met het studerende hoertje Kitty, met wie hij naar haar geboortedorp vertrekt, waar zij gewoon Kaat heet.

Vanaf dan wordt Terug naar Walden nog wat vreemder: streekhistorici, premiejagers, multimiljonair Steve Fossett, neerstortende parachutespringers en een heus wormgat waarlangs het verleden te bereiken is, worden door Van den Broeck op één grote verwarrende hoop gegooid. Het resultaat hangt van ongeloofwaardigheden aan elkaar en geen enkel cliché wordt geschuwd, maar het grote plezier waarmee Van den Broeck zijn zotte geschiedenis vertelt, maakt het boek in hoge mate onweerstaanbaar.

Terug naar Walden draait om de transformaties die mensen kunnen ondergaan: van student tot prostituee (en terug), van dorpsmeisje tot moordverdachte, van preuts kamermeisje tot assertieve lesbienne. De belangrijkste gedaanteverwisseling is die van Ruler Marsh zelf, die van een uitsluitend door wraakzucht gedreven zakenman verandert in een man die niet wil vernietigen, maar juist wil scheppen – in alle opzichten. Daarmee plaatst Van den Broeck zijn roman midden in deze tijd: de wending die Marsh zijn leven geeft, is precies de verandering die nu van het internationale geldwezen wordt geëist.

Ook past Terug naar Walden wonderwel in de literatuur van de Nieuwe Vlamingen, al kan Van den Broeck (1941) zelf bezwaarlijk tot die generatie worden gerekend. Niet het achtergebleven en door oorlogstrauma’s geplaagde platteland is de norm, maar de stad. Net als schrijvers als Dimitri Verhulst, Stefan Brijs, Annelies Verbeke en Peter Terrin die zich veel nadrukkelijker verbinden met de toekomst en de stad dan met het platteland en het verleden. Het Vlaanderen zoals Van den Broeck het beschrijft, is modern en stedelijk – het is een stukje Europa. Daarbij zijn het juist de scènes in Kaats geboortedorp die dat benadrukken: de enigen die zich daar om het verleden bekommeren, zijn de hobbyisten, die amper serieus worden genomen. Dat juist zij het aan het eind bij het rechte eind blijken te hebben, is een van de dingen die Terug naar Walden zo aardig maakt.

Van de economische apocalyps bij Van den Broeck is het maar een kleine stap naar de duistere eindtijd waarin de wereld zich lijkt te bevinden in De bewaker van Peter Terrin. Daarin zijn twee mannen belast met de veiligheid van een luxueus wooncomplex – Ruler Marsh had er kunnen verblijven –, waar echter alle bewoners uit vertrekken. Contact met de buitenwereld hebben Michel en Harry niet, er is sprake van een oorlog, wellicht van een atoomaanval. Getweeën fantaseren zij over wat hun ‘Organisatie’ in petto heeft. Zij leven tussen hoop en vrees, zoals de personages in de romans van Terrin dat meestal doen. En in De bewaker leidt dat tot een weergaloze roman, waarin de mechanismen van angst en controledwang zeer precies worden getoond, terwijl Terrin tussen de bedrijven door ook nog de onderhuidse erotiek tussen de twee eenzame bewakers voelbaar maakt.

De bewaker (besproken in Boeken, 18.09.09) zou een zeer verdiende winnaar van de Librisprijs zijn. Een prijs voor Terrin zou ook een mooie bekroning zijn voor de hele generatie Nieuwe Vlamingen: het boek combineert een gedurfde setting (de twee mannen komen 220 bladzijden lang het gebouw niet uit) met het essayistische vermogen van de ideeënroman en de woeste uithalen van de liefdesroman – waarbij het eten van aardbeienjam een allerzinnelijkst samenzijn wordt.

Toch is het allerminst zeker dat Terrin maandag de 65.000 euro in ontvangst mag nemen. Want bij de zes genomineerden zit nog een boek dat gek en goed is: Sprakeloos van Tom Lanoye (Boeken, 09.10.09). In dat boek beschrijft Lanoye hoe zijn moeder werd getroffen door een beroerte, haar spraakvermogen verloor en enkele jaren later stierf. Dat lijkt het recept voor een ‘klein’ boek met ongeveer de kwaliteiten en beperkingen van Ruw en Een goed verhaal. Lanoye is echter geen ingehouden Hollandse schrijver, maar een Vlaams theaterdier. Alle registers gaan open in Sprakeloos: compleet met omwegen, zijpaden en uithalen. Vorm en inhoud komen ook nog eens samen, omdat Tom Lanoye juist van zijn moeder zijn liefde voor taal en theater meekreeg. Zo gaat alles wat hij over haar schrijft ook meteen over zijn eigen schrijverschap en de rol van het theater daarin. Meer dan een requiem is Sprakeloos dus een literaire autobiografie.

Twee Belgen zijn dus echt beter. Beter dan de andere genomineerden en ook beter dan de zes beroemde Hollandse mededingers die de shortlist niet haalden, zoals Thomas Rosenboom (Zoete mond), Tommy Wieringa (Caesarion), Cees Nooteboom (’s Nachts komen de vossen), Herman Koch (Het diner), Bernlef (De rode droom) en Hafid Bouazza (Spotvogel). Maar een echte wedstrijd kan maar één winnaar hebben, waarbij het niet altijd de allerbeste is die wint. Mijn keuze zou De bewaker zijn, wegens de veelzijdigheid en de ideeënrijkdom van Peter Terrin. Afgaande op de voorkeur voor kleine, persoonlijke verhalen die uit de nominatielijst spreekt, zal niet Terrin, maar Lanoye de Librisprijs 2010 winnen. En als geen van deze twee de prijs krijgt, dan is de scheidsrechter omgekocht.