Horror als een bron van plezier

Vergeet de Brontës en Eliot. De auteurs van een nieuwe serie Victoriaanse klassieken schreven sensationele verhalen die de lezer een prettig gevoel van opwinding en afschuw bezorgden. Lukt dat nu nog?

Er zijn weinig honden die boeken schrijven, maar Snoopy draaide er zijn hand niet voor om. In de strip Peanuts nam hij regelmatig bovenop zijn hok achter de typemachine plaats om aan een nieuw meesterwerk te beginnen. Zijn eerste regel luidde: ‘It was a dark and stormy night.’

Dat waren niet Snoopy’s eigen woorden. Hij citeerde de eerste woorden van Edward Bulwer- Lyttons roman Paul Clifford, uit 1830. ‘It was a dark and stormy night; the rain fell in torrents…’ De complete zin telt 58 woorden, en is in de loop der jaren uitgegroeid tot het ultieme melodramatische cliché, een voorbeeld van het bombastische proza dat in de Victoriaanse tijd zo populair was. Op Wikipedia is een apart lemma aan de zin gewijd, en de San Jose State University in Californië organiseert een jaarlijkse Bulwer- Lytton Contest, waarbij het erom gaat de openingszin te bedenken van de slechtste roman die je je kunt voorstellen.

Of de slechte reputatie van het Victoriaanse proza terecht is, kan nu worden beoordeeld aan de hand van de tien romans die Penguin heeft uitgegeven in de reeks ‘Victorian Bestsellers’ (zie kader). Het gaat hier niet om auteurs die zich een onwrikbare plek in de literaire canon hebben verworven (zoals de gezusters Brontë, George Eliot, Charles Dickens), maar om sensationele verhalen, die waren bedoeld om de Victoriaanse lezer een prettig gevoel van opwinding en afschuw te bezorgen. Een van die tien romans is Snoopy’s inspiratiebron Paul Clifford. Erg goed is die inderdaad niet. Niet de bombast stoort, maar de minzame en soms lollige toon waarop Bulwer-Lytton de avonturen van zijn hoofdpersoon beschrijft.

De reeks, die gelukkig ook veel hoogtepunten telt, valt in drieën uiteen: de eerste vier romans zijn gothic novels, vol sombere landschappen, vervallen kastelen en onderaardse gewelven, daarna volgen drie romans over geruchtmakende criminelen, en de laatste drie zijn vroege detectiveverhalen; hoe groot de invloed van de gothic novels is geweest, blijkt uit het feit dat ook de latere Victorian Bestsellers vol zitten met elementen uit dat genre.

Penguin brengt deze romans uit met kleurige omslagen en wervende flapteksten, maar met summiere biografische informatie en zonder noten en inleidende essays. Het lijkt wel een literair experiment: hoe leesbaar zijn deze boeken zonder verdere informatie over literaire en historische context?

Ook al ontbreken de annotaties, je leest deze romans met een historische blik; je kunt niet net doen alsof ze gisteren zijn geschreven. Het nadeel van het ontbreken van verdere informatie is dat die historische blik zich nergens aan kan hechten – ze blijft onder het lezen zoekend heen en weer schieten. Bij series als Penguin Classics (waarin een aantal van deze Victorian Bestsellers eerder verscheen) wordt die blik bevredigd door noten en inleidende essays, waardoor paradoxaal genoeg meer ruimte ontstaat om onbekommerd van het verhaal te genieten. Je kunt het vergelijken met het kijken naar oude speelfilms. Wanneer je de dvd bekijkt van de Hitchcockfilm The Birds (1963), is de verleiding groot om minzaam te glimlachen om de special effects, die bijna vijftig jaar later hier en daar nogal knullig aandoen. Maar als je op dezelfde dvd de reportage ziet over het maken van die special effects, begrijp je met hoeveel inventiviteit men te werk is gegaan en hoe vooruitstrevend die effecten destijds waren. Door dat besef verdwijnt de afstand scheppende minzaamheid. Voor onbevangen genot heb je context nodig.

Zo geniet je nog meer van de gothic novels uit deze reeks wanneer je je realiseert hoe het genre is beïnvloed door de Duitse romantiek en de ideeën over ‘het sublieme’ van de 18de-eeuwse staatsman en filosoof Edmund Burke. ‘Horror as a source of delight’, zoals Mario Praz het ooit noemde. Met die wetenschap in het achterhoofd valt op hoe vaak in deze romans sprake is van verrukkende verschrikkingen en ontzagwekkende landschappen. Soms is het of je rondloopt in het werk van romantische schilders als Caspar David Friedrich of J. H. Fuseli.

Overigens wordt uit deze Victorian Bestsellers ook zonder achtergrondinformatie duidelijk hoe snel het genre van de gothic novel zich ontwikkelde. The Castle of Otranto, de allereerste gothic novel, is een naïef verhaal met schematische personages, waarin bovennatuurlijke verschijnselen op stroeve wijze in de rest van het verhaal worden geïntegreerd. De twee romans van Ann Radcliffe zijn een stuk minder naïef, omdat het bovennatuurlijke een ondergeschikte rol is gaan spelen. Sterker nog, een groot deel van de spanning wordt veroorzaakt doordat er een natuurlijke verklaring voor ogenschijnlijk spookachtige zaken wordt gezocht.

De ultieme gothic novel The Monk, die de Engelse diplomaat Matthew Lewis op 19-jarige leeftijd schreef, gaat nog een stapje verder. In deze bizarre roman over een monnik die aan zijn eigen ijdelheid ten onder gaat, krijgt het bovennatuurlijke hier en daar parodistische trekken, zoals in het prachtige verhaal-in-het- verhaal waarin een meisje dat zich door haar minnaar wil laten schaken, zich verkleedt als het huisspook, opdat ze ongestoord het kasteel zal kunnen verlaten – waarna haar minnaar er per abuis met het echte spook vandoor gaat.

Niet al het Victoriaanse proza heeft de tand des tijds zo goed doorstaan als The Monk en de romans van Radcliffe. Dat blijkt uit de drie Victorian Bestsellers over criminelen. Over Paul Clifford hadden we het al eerder, en de andere twee kenmerken zich door eenzelfde minzame toon. The String of Pearls is voornamelijk interessant omdat de hoofdrol is weggelegd voor Sweeney Todd, de moordende kapper die later zou schitteren in films en een musical. Jack Sheppard valt vooral op omdat personages kreten bezigen als ‘Zounds!’ en ‘Gad-zooks!’. Bij nader onderzoek blijken dat oude Engelse bastaardvloeken te zijn, maar even krijg je de indruk dat je bent terechtgekomen in de tv-serie Batman uit de jaren zestig.

Daarentegen zijn de drie speurdersverhalen waarmee de reeks besluit absolute aanraders. Ook in de romans van Collins en Braddon zijn sporen van de gothic novels te vinden, al hebben de vervallen kastelen plaatgemaakt voor Engelse landhuizen en is er in plaats van wilde avonturen sprake van gecompliceerde puzzels, die met doorzettingsvermogen en intelligentie moeten worden opgelost.

Collins laat zowel The Woman in White als The Moonstone vertellen door de personages zelf; in elk hoofdstuk is weer iemand anders aan het woord. Het procedé was blijkbaar zo nieuw, dat Collins er in beide romans in een voorwoord verantwoording over aflegt. The Moonstone is verplichte kost voor iedereen die De vermoedens van Mr Whicher heeft gelezen, het non-fictieboek uit 2008 waarin Kate Summerscale een kindermoord beschrijft die in 1860 in een landhuis plaatsvond. Collins baseerde zijn boek op die zaak en zijn detective, sergeant Cuff, is een nauwelijks verhuld portret van Mr Whicher, de detective van Scotland Yard uit het boek van Summerscale; net zoals Whicher houdt Cuff van rozen, en slaagt hij er niet in de zaak op te lossen.

Hoe goed de romans van Collins ook zijn, Lady Audley’s Secret van Mary Braddon verslaat ze op punten. Braddon heeft gekozen voor een detective tegen wil en dank, advocaat Robert Audley, die zich gedwongen ziet de mysterieuze verdwijning van zijn beste vriend te onderzoeken. Juist de tegenzin waarmee deze Oblomov-achtige held zich in de zaak verdiept, maakt hem tot een gedenkwaardig en bijna modern personage, geen type, maar een individu – een heel verschil met de schematische schurken en helden uit de gothic novels waarmee deze reeks begon.

Hoewel er vooral in de laatste drie romans (maar ook al bij Radcliffe) aandacht is voor het innerlijke leven van de personages, zijn deze tien romans toch vooral avonturenverhalen. De meeste verschenen oorspronkelijk als feuilleton, en mede om die reden wordt de spanning telkens weer opgerekt met nieuwe verwikkelingen en uitstel van informatie. Dat laatste gebeurt niet altijd subtiel; personages die op het punt staan belangrijke onthullingen te doen, worden opeens weggeroepen omdat de etensbel gaat of iemand opeens medische zorg nodig heeft, kortom, alles wordt in het werk gesteld om de lezer toch vooral naar de volgende aflevering te laten uitzien. Daardoor worden deze romans wel vergeleken met soap-opera’s, maar die vergelijking gaat niet op; het gaat om afgeronde verhalen met een kop en een staart.

Het is vruchtbaarder om ze te vergelijken met opera’s. Niet alleen omdat je in elke roman de volledige cast van een opera aantreft (met de rechtschapen vrouwelijke hoofdpersoon als sopraan, haar kamermeisje of stiefmoeder als alt, de mannelijke held als tenor, zijn schildknaap of rivaal als bariton, en de vader of landgoedeigenaar als bas), maar ook wegens het onnatuurlijke taalgebruik van de personages. De romans zitten vol monologen die op aria’s lijken. Luister naar de heldin uit The String of Pearls, die zojuist heeft ontdekt dat haar minnaar toch niet dood is: ‘He lives, and joy again becomes the inhabitant of my bosom! Oh, it is daylight now and sunshine compared to the black night of despair. Mark Ingestrie lives, and I shall be happy yet.’ Je hoort al bijna de muziek, en het open doekje na afloop.

De gekunstelde spreekstijl in deze romans went snel; het zorgt zelfs voor een geheim genot, omdat het doet denken aan de toon van oude kinderboeken. Er wordt trouwens niet alleen gekunsteld gesproken in deze romans, maar ook heel veel. Zo nu en dan zou je een scène willen binnenstappen om met een doosje keelpastilles rond te gaan. Iedereen heeft bijzonder veel tekst, en ongeacht de omstandigheden wordt die tekst gedragen uitgesproken – of er nu in donkere gewelven het een of ander moet worden uitgelegd of in rumoerige straatscènes iemand aan de kaak moet worden gesteld.

Ook worden er voortdurend levensverhalen verteld; elk nieuw personage laat meteen weten wat hem of haar eerder is overkomen, als het moet vanaf de wieg; dat is overigens functioneel, want het verleden bepaalt maar al te vaak de plaats die het personage in het verhaal inneemt. Ook praten personages regelmatig hardop in zichzelf, zodat cruciale informatie over de plot kan worden afgeluisterd door anderen. Als mensen door het bos lopen, blijven stukjes stof aan takken hangen, zodat achtervolgers kunnen zien of ze nog op het goede spoor zitten – iets wat later alleen nog maar zou voorkomen in B-films en stripverhalen (om twee genres te noemen waarin de erfenis van deze romans voortleeft). En het toeval speelt een onbeschaamd grote rol; mensen die elkaar toevallig tegenkomen blijken dikwijls familie van elkaar. Op een gegeven moment ga je het als toeval zien als ze géén familie van elkaar zijn.

In vrijwel elke Victorian Bestseller wordt op de een of andere manier jacht gemaakt op de erfenis van een jonge, onschuldige vrouw, die vele ontberingen moet doorstaan voordat ze krijgt wat haar toekomt.

Er is nog iets wat de romans gemeen hebben: de lagere klassen worden door de auteurs uiterst minzaam behandeld. In vrijwel elk boek figureren rechtschapen, maar simpele bedienden. Kamermeisjes zijn goedgelovig maar uiterst toegewijd, butlers zijn lichtelijk pompeus, bandieten en bewoners van sloppenwijken opvliegend, rauw en impulsief; zowel auteur als lezer kan zich ten opzichte van hen superieur wanen. Misschien is dit wel de reden waarom Paul Clifford en de andere twee aan criminelen gewijde romans nauwelijks nog zijn te lezen: er komen zoveel mensen uit het volk in voor, dat de minzame toon de overhand krijgt. Zo veel superioriteit is onverdraaglijk.

Dat is een opvallende conclusie na lezing van deze bestsellers: bij Victoriaans proza ergert gekunsteldheid niet, maar minzaamheid wel – misschien omdat het eerste een kwestie is van stijl, terwijl bij het laatste een heel wereldbeeld meespreekt.

Maar toch – als je deze reeks in een paar woorden zou willen samenvatten, kun je niet om Paul Clifford heen. ‘It was a dark and stormy night’ – het is een zin die je in elk hoofdstuk van deze tien romans kwijt zou kunnen. Terecht dat het legendarische woorden zijn geworden; dat ze vaak worden gebruikt om een heel genre te ridiculiseren, is dan weer iets minder terecht.