Hoe WO II zich bemoeide met kleine luiden bij de Grebbelinie

Jan Blokker jr: Oorlog in je achtertuin. Verhalen van de Grebbelinie. Waanders, 224 blz. € 24,95

In boeken over de meidagen figureert de tragische figuur van majoor Bert Sas. De militair attaché in Berlijn hoorde van kolonel Hans Oster, de tweede man van de Abwehr, de Duitse contraspionagedienst, telkens wat de aanstaande invasiedatum was. De aanval werd vaak opgeschort en Sas’ geloofwaardigheid op het Haagse hoofdkwartier daalde tot nul. De majoor ‘komt weer sassen’, zeiden ze: zeiken. Toen de voorspelde aanvalsdag van Oster écht aanbrak, luisterde niemand meer.

Sas ontbreekt ook in Oorlog in je achtertuin niet, maar het boek, dat in opdracht van de Provincie Utrecht is geschreven, gaat niet over de grote legerbewegingen of het schimmenspel binnen de spionagewereld. Het boek behelst vooral de ervaringen van de ‘kleine luyden’ rond de Grebbelinie, van Spakenburg aan het IJsselmeer tot aan de Grebbeberg die bij Rhenen over de Rijn kijkt. In 1939 leefden de aangehaalde vissers en boeren nog strikt verzuild: van andere gezindten en stadsmensen moesten ze niet veel hebben. De oorlog interesseerde hun niet. Er was de kerkgang, de vangst en de oogst. Maar, om Trotski te parafraseren, de oorlog had wél belangstelling voor hén.

De tienduizenden soldaten uit de rest van Nederland die in de slaperige regio neerstreken, wekten wantrouwen. Een ingekwartierde Rotterdamse soldaat die ‘iets’ kreeg met de dochter des huizes, stuitte op de toorn van de vader die alle Rotterdammers afdeed als ‘hele slechte mensen’. Dat soort immateriële kommer viel in het niet bij de fysieke kwel van de inundaties en de gedwongen ontruiming van boerderijen op ondergelopen land. Het ging immers vaak om mensen, schrijft Blokker, die nooit verder van huis waren geweest dan hun klompen hen konden dragen.

Dat betekent niet dat iedereen in de aanloop van die meidagen in zak en as zat. De jeugd – nu het merendeel van de ooggetuigen – vonden het gewoon spannend dat hun omgeving op de kop werd gezet. Ook de soldateska leek de mobilisatie eerder een padvinderskamp te vinden dan de opmaat tot de Slag om Holland.

De inval van de Duitsers was tegelijk het startschot voor de evacuatie van honderdduizend mensen én voor het voltooien van de fortificaties. Ondanks maandenlange voorbereidingstijd was de Grebbelinie niet af. De bunkers waren niet klaar, of niet gecamoufleerd, bomen en huizen moesten nog geveld voor een vrij schootsveld. De voorbeelden van de onervarenheid van de Nederlandse soldaten zijn talrijk. Commandovoering rammelt, verbindingen verlopen via kabels die na de eerste granaataanval kapot zijn. Maar weinig is zo veelzeggend als het bevel om de grote roofdieren in Ouwehand’s dierenpark af te maken. De dieren zouden kunnen ontsnappen en ‘onze jongens’ in de rug bedreigen. Stel je voor: met bommen beladen Heinkels en Stuka’s cirkelen boven je en nog nooit geslagen SS-divisies zijn op weg naar je loopgraven. En in respons daarop rukt een puttipeloton op naar Rhenen om de strijd aan te binden met gekooide leeuwen, tijgers en ijsberen. Het is naamgever Cor Ouwehand zelf die de roofdieren doodschiet – en een ijsbeer met twee jongkies met opzet overslaat.

Dit soort details, en de ongetwijfeld bewerkelijke zoektocht naar nuttige ooggetuigen, onderscheiden Oorlog in je achtertuin van andere jubileumboeken over de meidagen in andere regio’s – waaraan het in deze jubileumperiode niet ontbreekt. Iemand moet trouwens toch nog eens uitzoeken of die Oster wel zuiver op de graat was. Als tweede Abwehr-man moét hij hebben geweten dat Fall Gelb, de aanval op de Lage Landen, een schijnbeweging was – om de sterkste Franse en Britse legers vanuit Frankrijk noordwaarts te lokken. Duitse tankcolonnes konden vervolgens door de Ardennen naar het Kanaal rollen. Dat was de crux van de Duitse strategie. Maar van dat één-tweetje stelde deze Oster Sas niét op de hoogte.

Hoe dan ook, als ‘Den Haag’ Sas wél had geloofd en de fortificaties op de ‘Greb’ tijdig waren toegerust, waren de meidagen hooguit meiweken geworden. Daarvoor lagen de krachtsverhoudingen te scheef. En dan was, rekende Henk Hofland ooit een keer voor, niet alleen Rotterdam plat gegooid, maar ook Den Haag en Utrecht, voordat de witte vlag alsnog was gehesen.