Het paradijs dat niet standhield

Eind jaren zestig zag fotograaf Cloete Breytenbach hoe de wijk District Six in Kaapstad veranderde van een levendige multiculturele gemeenschap tot een ‘whites only area’. „District Six was een Rainbow Nation in het klein.”

Halverwege het gesprek vraag ik fotograaf Cloete Breytenbach (1933, Bonnievale, Zuid-Afrika) welke foto uit zijn reportage The spirit of District Six, waarvan een selectie vanaf vandaag te zien is in de Melkweg Galerie, hem het dierbaarst is. Hij bladert door zijn boek met zwart-witfoto’s die hij gedurende een periode van tien jaar maakte in de enige echte multiculturele gemeenschap die Zuid-Afrika ooit heeft gekend: District Six bij Kaapstad, tegenwoordig een troosteloos wasteland. Op gezag van de gemeente is de buurt in de jaren zeventig door bulldozers met de grond gelijk gemaakt.

Ik zie zijn blik veranderen van gereserveerd en op zijn hoede (please please geen vragen over zijn broer Breyten, de beroemde activist en schrijver) naar warm, liefdevol en contemplatief. Alsof hij in zijn eigen beelden wordt gezogen en terug in de tijd valt.

Terug naar de jaren vijftig: met twee gloednieuwe Leika’s om zijn nek wandelt hij door Hanover Street, de drukste straat van District Six. Een stoet straatkinderen huppelt achter hem aan. Breytenbach is begin twintig. Fotograaf voor het blanke Afrikaner dagblad Die Burger. In zijn vrije tijd weet hij niet hoe snel hij naar die opwindende kleurrijke achterbuurt moet rijden. Als een magneet wordt hij er naartoe gezogen.

Hanover Street is een rivier van mensen, auto’s, bussen, paarden en wagens, kinderen op zelf gebouwde karren. Uit de bar van ex-boevenvanger Charlie Terblanche klinkt lome jazzmuziek. Breytenbach snuift de inmiddels vertrouwde geur van District Six op: een mengeling van kokos, musk, wierook, stof, dampend asfalt, geroosterd vlees, goedkope damesparfum en kruiden – saffraan peper marsala koriander kaneel kurkuma. Hij groet de oude Babs Essop, die losse sigaretten verkoopt voor één cent, halve sigaretten voor een halve cent. En de half blinde Moslim die knoflook en gember en paprika’s in de aanbieding heeft.

De jonge Cloete Breytenbach ziet het ene spannende beeld na het andere: glamoureuze gangsters met fedorahoeden, een etalage volgebouwd met uitsluitend eieren, honderden, duizenden eieren die je per stuk koopt, trotse mannen met glinsterende Afro’s, tandeloze oude vrouwen, dopedealers, bedelaars, vermoeide sjouwers met karren vol olievaten, blokken ijs, zakken basmatirijst, mannen en vrouwen en kinderen met wortels in alle uithoeken van de wereld: Maleisië, India, Oost-Europa, Zuid-Europa, Noord-Afrika, Mozambique, Mauritius, Ceylon. District Six is een eiland van etnische verdraagzaamheid in een door apartheid verscheurd land. Een bruisende culturele smeltkroes die erom smeekt gefotografeerd te worden.

En toch wacht Cloete Breytenbach. Hij slaat rechtsaf een rustig steegje in. Het late strijklicht werpt een donkere schaduw over de leemkleurige muur. In de verte ziet hij de gestalte van een oude vrouw, ze loopt gebogen en draagt een hoofddoek. Wanneer ze dicht genoeg genaderd is pakt hij zijn camera en kijkt door de lens. Klik, klik, klik.

„Van alle duizenden foto’s die ik in mijn leven nam, zijn er misschien vijftig waar ik werkelijk trots op ben”, zegt Breytenbach vandaag in Amsterdam, en legt zijn vinger op de foto met de oude vrouw. „Dit is er één van. Ik heb nooit iets in scène gezet of een situatie geregisseerd, nooit mensen gevraagd voor me te poseren. Ik geloof daar niet in. Ik heb altijd gewacht tot het beeld zich aan mij presenteerde. Ik ben een observator in de zuiverste betekenis van het woord.”

De afgelopen maanden hingen de foto’s in een galerie in Kaapstad. Waarom nu, na meer dan veertig jaar, ineens die belangstelling voor District Six?

Breytenbach: „District Six was een Rainbow Nation in het klein, zo’n samenleving zonder etnische spanningen waar antiapartheidsstrijders van droomden maar die er niet is gekomen en er voorlopig ook niet zal komen. Niet zolang de nieuwe leiders alle rijkdom voor zichzelf houden. Laatst antwoordde een minister op een vraag van een journalist waarom hij directeur van acht bedrijven was: ‘I didn’t join the struggle to remain poor.’ Dat geeft de huidige sfeer aardig weer.

„In District Six werden de apartheidswetten domweg genegeerd. Gescheiden wc’s voor blank en gekleurd? Niet in District Six. Terwijl in zwarte buurten als Llanga en Kayelitsha politieke rellen uitbraken, leefden de mensen in District Six rustig hun leven. Ze ontdoken liever de wetten dan dat ze ze veranderden. Het was een armoedecultuur. Degenen die werk hadden, bijvoorbeeld in de textielindustrie, werkten voor slavenloontjes. Iedereen leefde op straat omdat de huizen zo armoedig en klein waren, maar de cultuur was vitaal en humorvol. Er werd carnaval gevierd zoals in New Orleans, jaarlijks waren er competities tussen Maleisische koren, tussen fanfares. Joseph Manca, de pianist, startte een school waar kinderen les kregen in ballet, theater, muziek. Zelfs de blanke politiemannen gingen vriendschappelijk om met de locale gangsters. Ik mag graag denken dat dit mijn bijdrage is aan Zuid-Afrika: te laten zien dat zo’n multiraciale samenleving ooit werkelijk bestond.”

Hoewel werk van Breytenbach in galeries en musea over de hele wereld hangt – onder andere in het Guggenheim Museum in New York, was het nooit zijn droom om fotograaf te worden. Afkomstig uit een hechte boerenfamilie, opgegroeid in kleine provincieplaatsen als Riversdale en Wellington, trok hij naar Kaapstad om leraar te worden. Maar hij ontdekte al snel dat daarin z’n bestemming niet lag. „Ik zou die kinderen vermoedelijk vermoorden. Ik heb er geen geduld voor.”

Dus stapte hij op een dag de redactie van Die Burger binnen met de vraag of ze nog een baantje voor ’m hadden. Op de fotoredactie was een vacature. Zo begon het. Het waren de jaren vijftig. Die Burger was de spreekbuis van de Nasionale Party, de partij die verantwoordelijk was voor de invoering van de apartheid in Zuid-Afrika. „Ik ben nooit opgestaan om te zeggen: ik word een activist. Dat zit niet in me. Ik denk dat ik me daarom ook zo thuis voelde in District Six: leven en laten leven, geen gedoe. Laat de politici de boel maar verpesten. Ik geloof ook niet dat activisme goed is voor je werk. Natuurlijk, je kunt de treurige kant van het leven laten zien, de armoede, onderdrukking, doe ik ook. Als het maar geen doel op zichzelf wordt. Ik zag hoe buitenlandse fotografen soms te werk gingen om de apartheid aan te klagen. Gooiden ze snoepjes in een vuilcontainer zodat de kinderen erin sprongen en hups, klik, een foto. Of ze vroegen mensen om juist voor een muur waarop een apartheidssymbool stond te poseren.”

Toch getuigen de foto’s in de expositie The spirit of District Six van een diep menselijk engagement. ‘You are now in FAIRYLAND’, staat er in grote letters op een witte muur gekalkt. Linksonder op de foto loopt een man met een hoed het beeld uit. Op de muur is een schaduw van een trapje van het huis aan de overkant te zien. Een terloops beeld, zoals alle foto’s van Breytenbach iets toevalligs en terloops hebben, maar altijd roepen ze een sterke sfeer op. Breytenbachs beelden zijn zintuiglijk, lichamelijk zou ik bijna zeggen. Hoewel allemaal in zwart-wit, tonen ze een kleurige dynamische wereld die zo echt is dat je het geroezemoes en geschreeuw op straat bijna hoort, het getoeter en geronk van bussen, je voelt de stoffige hitte die in de nauwe stegen hangt, hoort het gekletter van springtouwen op het asfalt.

„Op een dag liep ik samen met een schrijvende journalist door District Six. Er was een rouwdienst aan de gang in de katholieke kerk. Wij naar binnen. Cupido was dood. Ik kende de man, had wel eens koffie met ’m gedronken. Maar er waren maar twee familieleden op zijn begrafenis, niet genoeg om de kist naar buiten te dragen. Dus wij helpen. En later gingen we naar het huis van de familie. Daar was het feest, wel honderd man, volop eten en drinken. Wij waren de enige twee blanke gezichten maar niemand die op ons lette.” Van die dag heeft hij nauwelijks foto’s. Hij wil maar zeggen, zo verslingerd en ingeburgerd raakte hij in District Six, het was meer dan werk.

Die kerk staat er vandaag de dag nog, net als de synagoge en nog een ander gebedshuis. Op een of andere manier hadden de autoriteiten wél respect voor religie, niet voor de mensen in District Six. Aan de sloop ging een jarenlang gevecht vooraf tussen blanke huiseigenaren (die allemaal in de rijke buurt Seapoint woonden) en de bewoners én gek genoeg de landelijke regering. Minister P.W. Botha van de Nasionale Party schreef brief op brief dat de eigenaren iets aan de leefomstandigheden en hygiëne in District Six moesten doen. De buurt was namelijk in rap tempo een slum aan het worden. Maar de eigenaren stopten liever vijf gezinnen in een krappe woning en vingen er royale huur voor, dan dat ze investeerden in de huizen. In 1966 verklaarde de gemeente District Six tot een ‘whites only area’, wat het begin betekende van de ontruiming. Midden jaren zeventig werden de laatste huizen platgewalst; de blanke eigenaren kregen financiële compensatie voor de vernietiging van hun eigendom.

„Verschrikkelijk”, zegt Breytenbach. Hij wijst naar een foto waarop statige huizen met veranda’s in Zuid-Europese stijl te zien zijn. „De buurt had verfijnde architectuur. District Six lag dichtbij de haven. Heel vroeger woonden er alleen vissers, maar in de negentiende eeuw groeide de wijk explosief. De textielindustrie bloeide hier. Je had de Maleise mensen al, die hier als slaven naartoe gebracht waren. Vanuit alle windstreken kwamen mensen naar Zuid-Afrika en bleven hangen in District Six.”

In Mitchell’s Plain, zo’n 25 kilometer van Kaapstad, midden in de Cape Flats, een onherbergzaam woestijnachtig gebied, werden lelijke betonnen flats gebouwd voor de mensen uit District Six. Afgesneden van de bewoonde wereld, én van hun werk (geld voor transport per auto of bus hadden de mensen niet) werd Mitschell’s Plain al gauw een van de beruchtste en gewelddadigste townships in de Cape Flats. De bendecultuur, die in District Six dankzij de sociale controle nog iets gemoedelijks had (wanneer iemand een moord had gepleegd, werd hij uitgeleverd aan de politie), verhardde. Messen werden verruild voor vuurwapens. Dagga (hasjiesj) voor harddrugs.

„Een poosje terug werd ik gebeld door een oude man uit Mitchell’s Plain. Hij had zichzelf herkend op een foto van mij.” Breytenbach bladert in het boek. „Kijk, dit is ’m.” Op de foto staat een jongen van een jaar of dertien. Blote voeten, bolhoed op, serieuze blik. Hij voedert twee paarden die voor een groente- en fruitkar zijn gespannen. „Ik heb hem opgezocht in zijn flatje in de Cape Flats. Hij had geen tanden meer, liep diep gebogen. Ik heb hem een fotoboek gegeven. We dronken wat, keuvelden over vroeger. Ik heb me altijd meer thuis gevoeld bij arme mensen dan bij welgestelden. Arme mensen communiceren graag. Het zou me trouwens niet verbazen als hij inmiddels gestorven is.”

Cloete Breytenbach staart liefdevol naar het tijdloze portret van de jongen; strijkt met zijn hand over de foto en slaat het boek dicht.

‘The spirit of District Six’ Foto’s van Cloete Breytenbach. T/m 30 mei in de Melkweg Galerie, Marnixstraat 409, Amsterdam. Inl: www.melkweg.nl