Emancipatorische snelle vuistvechter

Net als zijn linke tegenstander Jake LaMotta mat sterbokser Sugar Ray Robinson zich stijl en allure aan. Maar ook met hem liep het mis, al maakte hij aan het eind van zijn leven een grootse comeback.

Wil Haygood: Sweet Thunder. The Life and Times of Sugar Ray Robinson. Knopf, 465 blz. € 26,-.

Het klassieke Amerikaanse boksverhaal heeft een ingebouwde tragiek. Een jongen in een achterstandspositie – nazaat van slaven of ongeletterde immigranten – vecht zich een weg uit de armoede. Hij wordt bedolven onder geld en adoratie; onwrikbaar geachte sociale en raciale barrières lijken geslecht. Maar boksers zijn zelden mannen die met weelde hebben leren omgaan. Als ze oud worden en de nederlagen komen, verdampt het geld en brokkelt de entourage af. De handschoenen worden aan de wilgen gehangen, maar wanneer de schulden zich opstapelen, en de nietigheid ondraaglijk wordt, volgt onherroepelijk de ondoordachte rentree. Tot de kampioen van weleer zijn brein tot moes heeft laten slaan door een nieuwe generatie vuistvechters.

Sugar Ray Robinson zag het na de oorlog zijn held Joe Louis overkomen. Het maakte hem, schrijft Washington Post-journalist Wil Haygood in zijn Robinson-biografie Sweet Thunder, bewust van het gevaar. De wereldkampioen in het welter- en middengewicht wilde zich definitief verheffen. Door zich stijl en finesse aan te meten, en te investeren in een nachtclub, een lingeriewinkel en een kapperszaak. Hij sprak met jazzmusici over een tweede leven als entertainer, en ging de strijd aan met zendgemachtigden, boksautoriteiten, promotors en managers. Robinson kreeg wat hem toekwam. In de meest geïntegreerde sport (zwarte honkballers speelden nog in een eigen divisie) droeg hij zo bij aan de emancipatie van álle atleten.

Toch wist ook Robinson niet aan de vloek te ontkomen. Na een mislukt avontuur in het theater volgde de teloorgang van Harlem, waar zijn daar gevestigde bedrijven werden meegesleurd. Ook Robinson maakte de onvermijdelijke comebacks, met voorspelbaar resultaat. Centen weg, ‘vrienden’ weg, alzheimer. De Harlem Dandy, die in zijn hoogtijdagen had rondgereden in een felroze Cadillac, propte zich met moeite in een Ford Pinto.

Sugar Ray Robinson werd in 1920 geboren als Walker Smith Jr. in Black Bottom, een achterstandswijk in Detroit. Zijn vader was een onverbeterlijke schuinsmarcheerder, zodat zijn moeder met de kinderen de wijk nam naar New York. Opgroeien in Harlem tijdens de crisis was zwaar. Maar tegelijk, zo laat Haygood zien, was het een culturele bloeitijd. Harlem was het mekka voor zelfbewuste Afro-Amerikanen, die mode, literatuur en jazzmuziek omarmden. Het zou Robinson omvormen tot iemand die zich ook thuis voelde op de boulevards van Parijs of tijdens een onderhoud met Britse royalty.

Muzikaal voetenwerk

Als tiener had hij zich aangesloten bij de boksschool van de Salem Methodist Church. Zijn kans op een eerste officiële wedstrijd kreeg hij toen een teamgenoot niet kwam opdagen. Omdat hij nog geen papieren had, gebruikte zijn trainer het document van een afgehaakte protégé: ene Ray Robinson. De leergierige bokser reeg vervolgens de overwinningen aaneen. Er was geen precedent voor zijn combinatie van kracht, snelheid en bijna muzikale voetenwerk.

Toch maakten niet alleen die talenten hem onvergetelijk. Net als bij superhelden bestaat de legende van boksers bij de gratie van een aansprekende Nemesis. Muhammad Ali is the greatest, mede omdat hij Sonny Liston en George Foreman tegenkwam: daarom is David Remnicks sublieme Ali-biografie King Of The World tegelijk het verhaal van de illustere tegenstanders. Het laat zien dat boksen, net als wielrennen, in de eerste plaats een verhalende sport is, waarin lijden, zelfoverwinning en teloorgang in hun meest pregnante vorm manifest worden. Zonder drama geen mythe.

Robinson zal eeuwig verbonden blijven met Jake LaMotta, de ‘Raging Bull’ van de Bronx. Wanneer Haygood over hun tien jaar durende rivaliteit schrijft, komt zijn boek tot leven. In Robinson-LaMotta worden etnische frictie en verschuivende wereldbeelden samengebald. Beide mannen zagen in elkaar datgene wat ze het meest verafschuwden. Robinson zag een gebrek aan stijl en beheersing, LaMotta zag een egomane fat, een poseur. LaMotta zou vijf van de zes confrontaties verliezen, maar vaak waren de kemphanen aan elkaar gewaagd, en het lukte Robinson niet één keer LaMotta te vloeren. LaMotta lukte het omgekeerde wel, getuige een verbijsterende actiefoto waarin de straatvechter Robinson letterlijk dóór de touwen slaat.

Rookgordijnen

Deze boeiende passages onderstrepen onbedoeld dat er aan de rest van het boek iets schort. Iets wat eigenlijk al aangekondigd werd in Robinsons autobiografie uit 1969, dat een spel van rookgordijnen is. Robinson verdoezelde wat niet in zijn pr paste. Als vader was hij afwezig en er zijn geruchten dat hij zijn eerste vrouw Edna Mae sloeg. Daarbij was er dat rare akkefietje in het leger. Tijdens WO II waren Joe Louis en Robinson ingeschakeld om het moraal van de troepen op te peppen met demonstratiewedstrijden. Toen de oversteek naar Europa voor de deur stond, deserteerde Robinson – om een paar dagen later met ‘geheugenverlies’ in een ziekenhuis te worden teruggevonden. Was de onverslaanbare bokslegende bang geweest?

De bokser blijft voor de biograaf net zo ongrijpbaar als hij voor tegenstanders was. Dat ligt niet alleen aan de schrijver, maar vooral aan het onderwerp. Robinson toonde de wereld, en zelfs zijn nabije omgeving, geperfectioneerde uiterlijkheden: de lach, de kledingstijl, een tap-act, een drumsolo, het gebeeldhouwde lichaam. Zijn entourage telde op zeker moment een dozijn mensen, maar er waren geen vrienden bij – iedereen had een taak, tot aan de kapper die tussen de ronden door zijn haar netjes moest houden.

Het maakt Robinson een lastig onderwerp, hoe belangrijk zijn voorbeeldfunctie ook was. Het zal Haygood gefrustreerd hebben. Vandaar mogelijk zijn besluit andere boegbeelden van de Afro-Amerikaanse emancipatie door het verhaal te weven. Trompettist Miles Davis, zangeres en actrice Lena Horne en dichter Langston Hughes duiken op, in een poging context te bieden, maar ook om te verhullen dat Haygood het pantser van Robinson niet weet te doorboren.

Sugar Ray Robinson zou in 1989 arm sterven. Maar hij was wel de drijvende kracht geworden achter recreatiecentra voor kansarme kinderen. In de laatste akte leek hij zijn eigen leven te willen herschrijven: pas toen liet hij zijn pantser even zakken. De onbetrouwbare echtgenoot van weleer hertrouwde en leerde toewijding. De afwezige vader werd een vader voor duizenden. Kinderen die van hem elke sport mochten bedrijven, behalve boksen. Misschien zegt dat ene gegeven wel meer dan vierhonderd pagina’s levensgeschiedenis.