Een pandemonium van Jeroen Bosch

‘De Wetenden’ is een boek dat gemengde gevoelens oproept. Maar zeker is dat hier een imponerend schrijver aan het woord is.

Mircea Cartarescu: De Wetenden. Uit het Roemeens vertaald door Jan Willem Bos. De Bezige Bij, 476 blz. € 24,90

Boekarest was een stad waaruit de kleuren waren verdwenen. ‘Je voelde je als in een zwart-witfilm die werd afgedraaid op een versleten spoel’, schrijft de Roemeense romancier Mircea Cartarescu in zijn roman De Wetenden. ‘Het oude celluloid, op een vochtige plek bewaard, de kopie van een kopie van een kopie, zat onder de vlekken en krassen, die bij de projectie in alle beelden zichtbaar werden als langgerekte regendruppels en waterstromen.’

Op dit troosteloze Boekarest laat de in 1956 geboren Cartarescu in De Wetenden zijn verbeelding los. Het resultaat is een hallucinerende reis door de onder- en de bovenwereld van de stad, door de 20ste-eeuwse geschiedenis van Roemenië en de betoverende verhalen die Cartarescu daardoorheen weeft, langs alledaagse straattaferelen en apocalyptische visioenen, door het lichaam van de stadsbewoners en vooral de dromende geest van de verteller die het hele boek bijeenhoudt.

De Wetenden vormt het eerste deel van een trilogie die zich het beste laat omschrijven als een fantastische autobiografie. De verteller Mircea kijkt erin terug op zijn kinderjaren, als zoon van een arbeidersechtpaar in een doods Boekarest, dat dankzij zijn teugelloze fantasie vol komt te zitten met mysteries en vaak angstaanjagende droombeelden. Plots openen zich onder de stad eindeloze gangen en grotten, waarin geheimzinnige rituelen worden voltrokken. Onder onmetelijke gewelven komen gigantische bloemen tot bloei en leven meer dan manshoge insecten.

Plots schuift de hele stad naar het verleden weg en komt het Boekarest van voor WO II tot leven. Dan weer verplaatst de fantasie zich naar een droomachtig New Orleans, loomheid en voodoo, en omringd door zompige moerassen: een droom die is ingegeven door de jazz in de vooroorlogse clubs van Boekarest.

Gebombardeerd bleef de stad eerder al achter als een uitgebrand karkas, in het midden waarvan een liftkoker mét cabine wonderbaarlijk ongedeerd nog jarenlang overeind zal blijven staan. Mircea laat de liftjuffrouw erin al die tijd overleven. Halverwege de jaren vijftig komt zij voor de stomverbaasde ogen van een paar van zijn fantasiepersonages uit de lift tevoorschijn met een gigantische vlinder in haar armen. Het is het kind dat – zo zegt ze – bij haar verwekt is door de Amerikaanse piloot die het gebouw in brand schoot, op het éne moment waarop hun blikken elkaar kruisten.

De vlinder komt in De Wetenden voortdurend terug, minder als een belichaming van betoverende fantasie dan als een angstaanjagend roofdier. De vredige dagdromen in het boek worden dan ook altijd weer onderbroken door afstotende nachtmerries en bijna fysiek onpasselijk makende herinneringen. ‘Op de borden lag iedere avond steevast hetzelfde eten,’ zo herinnert Micea zich een ziekenhuisopname op jonge leeftijd. ‘Het leek op een lillende, bijna helemaal doorschijnende kwal, en door de huid heen waren de iets donkerder inwendige organen, in de kleur van amber, te onderscheiden. Als je de lepel erin stak, maakte de kwal een stuiptrekking en kromp hij ineen van pijn.’

Dit Jeroen-Boschachtige pandemonium wordt door Cartarescu beschreven met een barokke woordenrijkdom die door Jan Willem Bos (twee jaar geleden vertaalde hij een bundel met moderne Roemeense verhalen) op schitterende wijze in het Nederlands is overgebracht. ‘Wij zien het licht met een stel hoornige, met gelei gevulde eieren’: slechts heel af en toe wordt de gothic-achtige evocatiekracht van die woorden onderbroken door een al even trefzekere, lieflijke formulering als ‘de zoete wieling van de lentebries’.

Maar wat betekent het? Wat moeten we aan met deze dagdroom- en nachtmerrieroman, waarvan het gruwelgenot nogal afhankelijk is van de persoonlijke smaak? Wat wil Cartarescu met het beeld van de vlinder, die niet alleen steeds weer opduikt in zijn roman maar ook de trilogie als geheel vorm heeft gegeven. ‘Linkervleugel’, ‘Lichaam’ en ‘Rechtervleugel’ heten de afzonderlijke delen ervan. De Wetenden is, als eerste deel, de linkervleugel.

En wie zijn ten slotte die ‘Wetenden’? In de roman komen ze maar een paar keer voor, steeds in apocalyptische visioenen waarin geheime genootschappen van ingewijden opdoemen. Ingewijd waarin?

Zelfs die vraag lost uiteindelijk op. ‘Ik heb toen begrepen dat wij allemáál Wetenden waren, dat in de gehele ruimte en tijd, in ons hele wezen geen plek was voor onschuldigheid, dat wij allemaal wisten dat wij het weten, zonder echter reeds te weten wát we weten.’

Op zulke momenten is Cartarescu niet op zijn sterkst, en minder nog wanneer hij het boek in de laatste tientallen bladzijden laat uitlopen in een gewichtig sprakige eschatologie vol religieuze wartaal. Pompeus is ook de titel waaronder de hele trilogie in het Roemeens verscheen: Verblindend. In dit eerste deel duikt het woord een paar keer op, steeds wanneer het wereldraadsel onthuld lijkt te zullen worden (‘De vlínder was de boodschap!’) – maar veel wijzer wordt de lezer er niet van.

De Wetenden is een boek dat gemengde gevoelens oproept. De woorden zijn prachtig, de beelden indringend, de barokke stijl soms nét iets over de rand. Wanneer Cartarescu zijn fantasie gebruikt om de werkelijkheid te beschrijven, weet hij moeiteloos te overtuigen. Wanneer hij die de vrije teugel geeft, wordt van de lezer érg veel willigheid verwacht en blijft het alleen voor de liefhebbers genietbaar.

En toch is hier een imponerend schrijver aan het werk geweest. Door alle reserves heen blijft de bewondering voor het vakmanschap, de trefzekerheid en óók de verbeeldingskracht van Cartarescu overeind. De Wetenden is een boek dat maar half bevredigt, maar daarom des te meer naar werkelijke bevrediging door deze schrijver doet uitzien.