Dixieland, maar beslist niet voor braderieën

De Dutch Swing College Band viert morgen zijn 65-jarig bestaan met een jubileumconcert. „De meeste jongeren hebben geen idee waar deze muziek vandaan komt.”

Ze waren met zijn vieren, de twintigers die op 5 mei 1945 tijdens een Haags bevrijdingsfeest voor het eerst konden laten horen hoe goed ze tijdens de bezetting – toen alle jazzstijlen officieel verboden waren – naar de muziek op de zender van de Britse strijdkrachten hadden geluisterd. „Dat gaf een enorm gevoel van spanning, omdat je contact had met de vrije wereld”, zei klarinettist Peter Schilperoort later. Het orkest waarvan hij medeoprichter was, kreeg de naam Dutch Swing College Band omdat ze eigenlijk van plan waren na de oorlog een jazzschool te beginnen. Die school is er nooit gekomen, maar het orkest bleef. Het groeide in de loop van het eerste bevrijdingsjaar uit tot een formatie van acht man. En die bezetting heeft het nog steeds.

Morgenavond viert de in traditionele jazz gespecialiseerde Dutch Swing College Band zijn 65-jarig bestaan met een jubileumconcert in de Dr. Anton Philipszaal in Den Haag. Met gasten als de meidenzanggroep Mrs. Einstein, vocaliste Laura Fygi, cabaretier Freek de Jonge die onder meer een eigen vertaling van het aloude St. James Infirmary zingt, en jazzveteraan Dim Kesber die al in de oorlog klarinetlessen van Schilperoort kreeg en in 1947, op zijn zeventiende, tot de DSCB toetrad.

Maar na deze feestavond is het al snel weer business as usual: zondagmiddag treedt het orkest op in Schiedam, volgend weekend zijn er twee concerten in Engeland, daarna staan Hoorn, Uden, Venlo en Apeldoorn op het programma en tot begin juni wordt nog drie keer gespeeld in Duitsland.

„Dat we nog altijd bestaan,” zegt de huidige orkestleider Bob Kaper (70), „heeft veel te maken met het feit dat we steeds de juiste mensen op de juiste plek hebben gehad. Als je in de Dutch Swing College wilt spelen, moet je deze muziek in je genen hebben. Je moet alles op alles willen zetten. En die drive is er nog steeds. We hebben wel eens muzikanten in het orkest gehad van wie je op den duur toch moest zeggen dat ze niet de vereiste bevlogenheid hadden en dus beter afscheid konden nemen. Zoals wijlen Peter Schilperoort zei: je moet begiftigd zijn, je moet het goede virus hebben.”

De eerste vijftien jaar bestond de DSCB uit semiprofs die naast de muziek werkten of studeerden. Toen in 1960 voor de beroepsstatus werd gekozen, verlieten vier man het orkest. Dim Kesber was één van hen; hij werd scheikundig ingenieur, maar speelt tot op de dag van vandaag in eigen formaties. Inmiddels groeiden de blijvers uit tot de populairste dixielandband van Nederland. Die status bleef, ondanks de veranderende muzikale modes en het oubollige imago dat de dixieland allengs kreeg. „Orkesten met hoedjes op”, schampert Kesber (80). „Tweederangs muzikanten op braderieën en dat soort verschrikkelijke gebeurtenissen. Op het misdadige af. Daardoor is niet alleen het aanzien van de dixieland geschaad, maar dat van de jazz als geheel”.

„Wij hebben ons altijd willen distantiëren van de braderieën en de kermissen", reageert Kaper. „Uiteraard houden we rekening met het publiek, maar we willen er zelf ook plezier aan hebben. Het moet artistiek verantwoord blijven. Dat zijn we bovendien verplicht aan onze oprichters”.

Naarmate het afzetgebied in jazzclubs en horecagelegenheden terugliep, vond de DSCB steeds vaker emplooi in het theatercircuit. Kaper: „Toen de markt voor populaire muziek ging veranderen hadden mijn voorgangers al in de gaten dat het theater voor ons wel eens de redding zou kunnen zijn. En daar hadden ze inderdaad gelijk in.” Over de aanwas van jonger publiek is hij optimistisch: „De meeste jongeren hebben geen idee waar deze muziek vandaan komt. Ze horen het nooit op de radio. Maar ze horen wel dat je er heel goed op kunt dansen; het heeft een onverbiddelijke beat. Soms zijn ze door iemand meegenomen naar een optreden van ons, zonder te weten wat hen te wachten staat, en dan komen ze bij het kraampje waar we onze cd’s verkopen, met de vraag: hé, wat is dit?”

Dim Kesber ziet minder perspectieven voor de traditionele jazz. „Het publiek is een bejaardensociëteit geworden”, stelt hij vast. „Het lijkt erop dat dit genre langzaam gaat uitsterven. De tijd dat middelbare scholieren op zaterdag snel naar huis fietsten om de wekelijkse radio-uitzending van de Dutch Swing College Band bij de VARA te horen, in de jaren vijftig, is echt voorbij.”

Maar ook dat ziet Bob Kaper anders: „We denken zelfs aan een Young Dutch Swing College Band, al zouden we daar wel fondsen of sponsors voor nodig hebben. Op de conservatoria en de muziekscholen begint de jazz op z’n vroegst pas na 1945, alsof er daarvoor niets gebeurd is. We willen graag nagaan of er op de opleidingen misschien mensen te vinden zijn die zich in deze muziek willen bekwamen. En als dat lukt, zou dat nieuwe aanwas voor ons orkest kunnen opleveren. Want ook wij hebben niet het eeuwige leven”.

Jubileumconcert Dutch Swing College Band: 8/5, Den Haag. Inl. www.dscband.nl

Meer foto’s en filmpjes op nrc.nl/cultuurblog