De majesteit Gods in eigen achtertuin

Met zijn meesterwerken uit de jaren zestig wordt Gerard Reve een beroemde rebel en een held voor homo’s, maar ook een onverdraaglijke monomaan. Nieuwe feitjes, en gelukkig veel citaten in deel II van de biografie.

Nop Maas: Gerard Reve. Kroniek van een schuldig leven. Deel 2 - De ‘rampjaren’ (1962-1975). Van Oorschot, 856 blz. € 35,-, € 49,90 (geb.)

Na een bijeenkomst in 1962 van een kerkelijke studiegroep, door hem de ‘Lekencongregatie van de Heilige Geest’ genoemd, gaat Gerard Reve wat drinken in de stationsrestauratie van Amersfoort. Hij bestelt een krat pils. Na het 24ste pijpje verklaart Reve dat hij, ook al was hij homo, met de maagd Maria naar bed wil, omdat zij hem een geweldig orgasme zou bezorgen ‘in haar vagina met kleine hartjes’.

Ook voor het tweede boek van de driedelige biografie Gerard Reve Kroniek van een schuldig leven heeft schrijver Nop Maas indrukwekkend veel nieuwe bronnen gevonden. Hij heeft zelfs notulen getraceerd van het bovengenoemde obscure studiegroepje waaruit hij prachtige Reve-regels vist. Zoals de omschrijving van het verschil in geloofsbeleving tussen Reve en groepsgenoot Hans Weterman: ‘Je moet je Weterman voorstellen de levensweg afwandelend, terwijl ergens aan het eind van het bospaadje God op hem zit te wachten, dan komt het allemaal voor elkaar. Ik ben iemand die voor God uitloopt en door God met trappen en stokslagen wordt voortgedreven. Helemaal niet wetend of die weg ooit eindigt.’

In het eerste boek beschreef Maas een minder bekende periode uit Reve’s leven. Van de jaren vijftig, toen Reve er niet in slaagde om het niveau van zijn debuutroman De avonden (1947) en de novelle Werther Nieland (1949) te hervinden, gaf Maas een verrassend beeld: een stuurloze Reve, de boertige echtgenoot van dichter Hanny Michaelis, die zijn ontluikende homoseksualiteit tegelijk trachtte te onderdrukken en te onderzoeken, en vergeefs zocht naar een nieuwe literaire vorm. De Reve zoals wij die kennen had hij nog niet uitgevonden. Als Reve op het eind van deel 1 was overleden, dan was het een tragische biografie geweest van een one hit wonder dat nooit meer over zijn debuut heen kwam.

Oude fietsbanden

In het tweede boek vindt de grote omslag plaats. Met Op weg naar het einde (1963) vindt Reve bijna terloops zijn vorm, met autobiografische, losse ‘reisbrieven’ waarin hij alles kwijt kan wat hij wil. Reve is voor eerst de schrijver die hij wil zijn: openlijk praktiserend homoseksueel, een zeer geestig (‘lachen op het breukvlak van extase en wanhoop’) en bloemrijk formulerende stilist die formele, verheven en platte taal virtuoos mengt, een diep religieus mens geplaagd door visioenen, met een eigenzinnige visie op het katholieke geloof waarin seks en mystiek samengaan. Zoals hij zelf schrijft in een droomduiding uit 1966: ‘Je mag dan wel seks en God vermengen, en jouw beleving van de seksualiteit verbinden met religieuze vervoering, en de geslachtelijke begeerte koppelen aan heimwee naar God – vergeet toch niet dat de calvinisten en andere pseudo-christenen je als een beest zullen bejegenen.’’

Over de ontdekking van zijn vorm schreef hij aan vriendin Josine Meyer: ‘Het is de tragiek van bijna elke schrijver, dat hij de goudmijn van zijn eigen triviale ervaringen en herinneringen, niet kan of wil zien. Ik zie nu eindelijk in, dat de majesteits Gods heel dicht bij huis, gewoonlijk in een met oude fietsbanden vol geworpen achtertuin, te zien en te ervaren is.’

In deze jaren schrijft hij zijn meesterwerken: Op weg naar het einde (1963), Nader tot U (1966), Veertien etsen van Frans Lodewijk Pannekoek voor arbeiders verklaard (1967). Hij krijgt brede literaire erkenning, de P.C. Hooftprijs, na veertig jaar armoede kan hij eindelijk leven van zijn boeken. Door vrijmoedig over zijn homoseksualiteit en zijn geloof te schrijven, sluit hij perfect aan bij de geest van verandering die in de jaren zestig opsteekt. Hij is zelfs een van de aanstichters. Reve wordt een beroemd man, een ongrijpbare rebel, een held voor homo’s, zoekende christenen en anderen die zich onderdrukt voelen. Uit de biografie blijkt hoeveel hij voor vele mensen heeft betekend. Homo’s in nood die hem schrijven om hulp, maar ook vele anderen die door Reve’s optredens en geschriften diep geraakt worden en de hoop op verlossing zien gloren.

Ongelooflijk vaak is hij op televisie en staat hij in de kranten. Iedereen wil hem interviewen, iedere week heeft hij wel een relletje of een publiciteitsstunt. Reve leeft op de aandacht, tegelijk heeft hij rust nodig, omdat de aandacht zijn werk bedreigt. Met zijn nieuwe vriend Willem Bruno van Albada (Teigetje) zoekt hij de rust in het Friese gehucht Greonterp. Maar al snel wordt dat een drukbezocht bedevaartsoord. Vele heren komen hun lijf aanbieden. Reve’s leven is gevuld met seks, drank en pillen.

Ondanks die plotse en grote erkenning, heet dit deel De ‘rampjaren’. Omdat de jaren zestig ook de jaren van grote geestelijke nood waren. Reve worstelt met drank, angst, depressies, deliriums, razernij. Voor zijn vrienden is hij vaak onhandelbaar. Reve komt in dit boek naar voren als een onverdraaglijke monomaan die zijn betogen niet graag onderbroken ziet, en zeker geen tegenwerpingen duldt. Hij kent zichzelf slecht, is nauwelijks in anderen geïnteresseerd. Steeds weer zoekt hij ruzie, waarbij hij het geweld niet schuwt. Tegelijk is hij een zorgzame en gevoelige man, een gezellige gangmaker op feestjes, en soms een aandoenlijk bang kind.

Zijn optreden roept veel weerstand op, vooral bij orthodoxe christenen. Hij wordt bedreigd, beledigd, hij wordt vervolgd wegens godslastering, geregeld is hij het onderwerp van Kamerdebatten. De omhelzing door de linkse intellectuelen is een ongemakkelijke omdat Reve zeker geen revolutionair wil zijn. Hij botst hard met de linkse kerk als hij zijn ideeën over de oorlog in Vietnam en andere politieke kwesties begint te uiten. Terwijl Nederland een ruk naar links maakt, wordt Reve steeds rechtser. De weerstand vergroot zijn beroemdheid, maar sloopt hem ook. Hij kan het eigenlijk niet aan.

Na 1967 zie je dat de roem zijn literaire werk in de weg zit. Hij gaat moeizamer schrijven. Tegelijk groeien zijn grootspraak en zijn vermogen zichzelf te verkopen. De Taal der Liefde (1972) en Een Circusjongen (1975) worden bestsellers, maar de kritiek begint om te slaan. En inderdaad: hij wordt nooit meer zo goed als in de gouden jaren 1946-1949 en 1962-1967. Zijn vrienden Teigetje en Woelrat vertrekken en een rusteloos liefdesleven begint. Op het eind van het boek, inmiddels is het 1975, zoekt Reve wederom de rust, in Frankrijk, met zijn nieuwe levensgezel Joop Schafthuizen (Matroos Vos).

In het tweede boek van de biografie heeft Nop Maas het moeilijker dan in het eerste. In deel 1 was veel nieuw en opzienbarend. Maar de jaren zestig van Reve, die kennen we al zo goed, vooral omdat hij er zelf zo veelvuldig over heeft geschreven. Wie zijn brievenboeken leest, heeft dit deel van zijn leven redelijk in kaart. Maas kan er niet veel aan toevoegen.

Des te bewonderenswaardiger dat Maas toch weer onbekende brieven en andere bronnen heeft gevonden. Voor zijn uitputtende onderzoek verdient hij een standbeeld. Van sommige anekdotes zou je willen dat Reve ze zelf had gebruikt. Zoals die over het feest met Friese zeiljongens waarop Reve een 15-jarige jongen naar de zolder wil volgen, maar van de ladder stort, waarna hij mompelt: ‘Het heeft niet zo mogen zijn. Allah is groot, Mohammed is zijn profeet en Roxy is een goede sigaret.’ Om vier uur leidt Reve de zeiljongens in een polonaise over de Friese weilanden en door de Friese sloten.

Maar een biografie moet meer zijn dan het resultaat van een onderzoek. Maas vertelt geen verhaal, hij heeft geen leidend idee. Dit is veel meer een kroniek dan een biografie. Hij gaat van dag tot dag door Reve’s leven, met eindeloos veel feitjes, waardoor het boek een versnipperde indruk maakt. Het overzicht ontbreekt. Wie er verder in die kerkelijke studiegroep zaten, hoe al die bereden jongens heten en hoe ze bij Reve kwamen is niet altijd even relevant. Ook het corrigeren van de datering van Reve’s brieven, inclusief motivatie, is nogal vermoeiend.

Met zijn muts nog op

Daarbij komt dat Maas de stijl van een wetenschappelijk ambtenaar heeft. Zijn stijve zinnen steken pover af bij de gelukkig veelvuldig geciteerde zinnen van Reve. De eerste zin van het boek luidt: ‘In brieven van 28 en 30 oktober 1962 deed Reve verslag van zijn reilen en zeilen in de eerste dagen van Schuhmachers afwezigheid.’ Geen pakkend begin. Maas mist gevoel voor cliché, zo laat hij Reve ‘boven zijn theewater’ raken. Het pijnlijkst komt dit stilistisch gebrek naar voren als Maas de reisbrieven van Reve navertelt: ‘Het verhaal van de padvinder die naakt gemarteld wordt, terwijl hij zijn hoed nog op heeft, was voor Reve zeer stimulerend, evenals het neerstorten van de jonge straaljagerpiloot.’ Reve parafraseren, dat gaat niet lekker. Het was trouwens een muts.

Maar net als de eindeloze stroom feitjes teveel wordt, komt Nop Maas weer met een nieuwe gouden vondst die je met zijn boek en zijn werkwijze verzoent. Zoals de brief van Reve aan Hans Meijer van 22 februari 1969: ‘Ik heb vaak dagdromen over mijn eigen sterfbed, misschien zomers, buiten, op een ligbed, half opgericht. Oud zonlicht over alles, tot aan de horizon, Tijger bij me, vrienden om het bed, de speelgoeddieren zittend of liggend op de deken; en vrede, verzoening, troost over alles: Gods genade. Maar zo zal het wel niet zijn. God Zelf heeft, aan de vooravond, diep en bitter getwijfeld, en hoe zou het dan een mens beter vergaan.’