De leerfabriek is uit, de dorpsschool is in

Het verband tussen onderwijskwaliteit en kleinschaligheid bestaat niet.

Toch vreemd dat heel Den Haag zo hardnekkig pleit voor kleinere scholen.

De politieke partijen zijn het erover eens: ‘De leerfabrieken moeten weg en de scholen moeten weer kleiner’. In elk verkiezingsprogramma is wel een variatien op deze leus te vinden. Die gelijkgestemdheid is op zijn zachtst gezegd opvallend, omdat de leerfabrieken en scholen van veertigduizend leerlingen waar de politiek naar verwijst niet bestaan. Daarnaast zijn er geen aantoonbare voordelen verbonden aan kleinere scholen. Het wordt dan ook hoog tijd dat de politiek haar ongefundeerde wens voor kleinere scholen naast zich neerlegt.

Toch komt de term ‘leerfabriek’ niet uit de lucht vallen. Maar het veelvuldige gebruik van die term bewijst vooral dat er vaak geen duidelijkheid bestaat over wat nu een school is. Er worden in het onderwijs diverse schaalgroottes gebruikt, zo zijn er leerjaren, afdelingen, locaties, scholen, BRIN-nummers en besturen. Ik zou het best snappen als een leek een bestuur met de verantwoordelijkheid voor het onderwijs van zestigduizend leerlingen voor één enorme onderwijsfabriek aanziet. Het grootste bestuur in Nederland, met vijfendertig scholen onder zich, telt inderdaad zoveel leerlingen. Een politicus zou echter beter moeten weten. Laten we nu voor het gemak stellen dat een school datgene is wat een leerling als zijn school ziet: een locatie. Gemiddeld zitten er op zo’n school 730 leerlingen, Nederlandse scholen zijn zo groot dus niet.

‘Groot’ blijft een relatief begrip en het kán natuurlijk altijd kleiner. Maar waarom zou het kleiner moeten, als er geen kwaliteitswinst te halen valt? De onderwijsinspectie heeft onderzoek gedaan naar het verband tussen onderwijskwaliteit en schoolgrootte: dat bleek niet te bestaan. Wat het pleidooi voor enkel kleine scholen des te vreemder maakt is het feit dat dit onderzoek is uitgevoerd in 2003. Sinds lange tijd is al bekend dat kleine scholen niet beter of slechter zijn in hun onderwijzende taak. Latere onderzoeken bevestigen dit beeld.

Waarom pleiten al die partijen dan voor schaalverkleining op scholen? Misschien menen zij dat leerlingen een kleine school aangenamer vinden? Klein is immers fijn en een brugpieper zou van zo’n grote school spontaan een Calimero-complex krijgen. Omdat onderzoek naar wat scholieren zelf van de grootte van hun school vinden uit bleef, heeft LAKS (Landelijk Aktie Komitee Scholieren) het initiatief voor een onderzoek genomen. Wat bleek: scholieren ervaren een kleine school over het algemeen niet als prettiger dan grote scholen. Op kleine scholen bleek wel dat het leraarcontact en de overzichtelijkheid beter was, daarentegen zijn volgens leerlingen de faciliteiten op grote scholen vaak beter. De leerlingen concluderen dan ook dat beide schaalgroottes voordelen hebben.

Een kleine school betekent namelijk geen kleinschalige school. Uit hetzelfde onderzoek bleek dat 54 procent van de scholen zichzelf heeft opgedeeld in kleinere stukjes, zodat leerlingen het gevoel hebben dat ze op een klein, eigen schooltje zitten. Zowel grote als kleine scholen creëren dus vaak hun eigen kleinschaligheid. Hierdoor kan zelfs een grote school meer kleinschaligheid herbergen dan een kleine school.

Politici doen er goed aan hun pleidooien voor kleinere scholen te staken, het fundament hiervoor ontbreekt immers. Plannen voor het verkleinen van scholen zouden het papierwerk en de kosten tot grote hoogte doen stijgen, terwijl ze de onderwijskwaliteit ongemoeid laten.

Politici kunnen zich dus weer met een gerust hart richten op de kwaliteit van het onderwijs, in plaats van de promotie van de oude dorpsschool. Daar valt immers wél winst te behalen.

Emiel Willms is voorzitter van LAKS