De aangename raadselachtigheid der superrijken

Jonathan Dee: The Privileges. Random House, 258 blz. € 24,95

Moralisten zullen de vijfde roman van Jonathan Dee hoofdschuddend opzij leggen. De Amerikaanse schrijver plaatst The Privileges voor een belangrijk deel in de wereld van high finance – de private equity, de hedgefondsen – maar weigert een duidelijk standpunt in te nemen. Dat zal voor sommigen onverteerbaar zijn, maar is geweldig voor de roman zelf.

Het nieuwste boek van Dee is niet alleen het verhaal van astronomische bonussen, strategische bedrijfsinvesteringen, eeuwige winstmaximalisatie en onvoorstelbare persoonlijke welvaart, maar ook het verhaal van een Amerikaans gezin. Vader des huizes is Adam Morey, een masculiene, seksueel capabele, obsessief hardlopende en gewichtheffende investeringsexpert.

Zijn ambitie is in alles larger than life: uit onvrede over zijn carrièreverloop vertrekt hij al snel bij zakenbank Morgan Stanley om bij een private-equitybedrijf te beginnen. Hier wordt hij de gedoodverfde opvolger van de eigenaar. Maar ook dat zint hem onvoldoende. Samen met een jonge effectenhandelaar begint hij op hetzelfde moment een uiterst winstgevende handel in voorkennis, om uiteindelijk zelfs zijn eigen hedgefonds op te zetten.

Gehinderd door een geweten wordt hij daarbij niet. Maar, en dat zegt veel over de aanpak van Dee, een echt onsympathieke man wil Adam ook niet worden. Hij zorgt als geen ander voor zijn twee kinderen en houdt ook na een jarenlang huwelijk nog oprecht van Cynthia, de vrouw met wie hij al jong trouwde.

Die laatste is nog het minst aimabele personage in de roman. Cynthia is een scherpzinnige, maar zelfingenomen vrouw. Ze ziet zichzelf en haar man als mensen van een buitencategorie. Aanvankelijk raakt ze gedesoriënteerd door de rijkdom die het financiële succes van Adam haar brengt. Ze mist een bestemming, bezoekt een psycholoog. Maar ze komt tot bloei als ze hoofd wordt van een van de snelst groeiende liefdadigheidsfondsen in New York.

Haar twee kinderen April en Jonas belanden in een zwaardere identiteitscrisis. Door alleen hun afkomst al bevinden ze zich aan de top van de piramide. April ontwikkelt op jonge leeftijd een van drugs doordrenkte, seksueel losgeslagen levensstijl en raakt vervreemd van de dagelijkse realiteit van mensen van bescheidener komaf. Ze raakt verstrikt in een grootstedelijke vorm van l’ennui: de hedendaagse versie van de existentiële verveling uit de 19de-eeuwse roman. Haar broertje Jonas gaat een andere kant uit: hij raakt gefascineerd door authenticiteit. Aanvankelijk luistert hij als een wat snobistische student voornamelijk naar oude popmuziek. Later stort hij zich op de art brut, de kunststroming rond de creativiteit van psychiatrische patiënten.

Jonathan Dee betoont zich in zijn roman geen groots visionair als het gaat om het vrijemarktkapitalisme, het 21ste-eeuwse hedonisme of de cynische verhoudingen tussen arm en rijk. Integendeel. Zijn aanpak is onthecht, impressionistisch. Met een zekere behendige terloopsheid volgt hij zijn personages. Ze krijgen elk op hun beurt veel ruimte in de roman, maar Dee brengt ze niet tot grote inzichten. Hij rondt bovendien geen van de verhaallijnen helemaal af. Een dwingende plot ontbreekt.

Die ongerichtheid geeft de roman een aangename raadselachtigheid. Dee wil alleen beschrijven: dit is wat het is. ‘De rijken zullen altijd onder ons zijn’, zei hij naar aanleiding van deze roman in The New York Times. Uit die gedachte komt de feitelijkheid van zijn proza voort.

Dat klinkt berustend. Maar in dat uitgangspunt schuilt toch een behoorlijk pessimistische kijk op dat deel van de mensheid dat profiteert van het wereldbrede kapitalisme. Liefdadigheid is alleen belangrijk in zover het bijdraagt aan de zelfontplooiing en het maatschappelijk aanzien van in dit geval Cynthia.

Hetzelfde geldt voor Adam. Wanneer hij een fabriek bezoekt in een zwaar vervuilde stad in het zuidoosten van China is zijn voornaamste zorg dat hij niet kan hardlopen door de met smog gevulde straten. Wanneer zijn dochter hem vraagt waarom hij zich met goede doelen bezighoudt, is zijn antwoord: ‘Je kunt niet zomaar niks doen. Anders is het alsof je hier nooit bent geweest.’

Zo schetst Jonathan Dee nauwgezet een egomaan universum, een wereld van geprivilegieerden. De enige moraal is de familiemoraal, maar zelfs die lijkt te worden ontsierd door een darwinistische inkleuring. De kinderen van Adam en Cynthia, hun eigen vlees en bloed, vormen het summum van wat zij op aarde achterlaten. Maar die kinderen zijn verdwaald. Ze zijn opgevoed met een ideaal dat al voor hen is vervuld. Wat heeft hun leven nog voor zin?