Blijf bij je man, ook al is het een moordenaar

Auke Kok Oorlogsliefde.De Bezige Bij, 222 blz. €17,90

Vijftien jaar geleden, in 1995, publiceerde Auke Kok zijn boek over ‘de grootste landverrader’ tijdens WO II, Anton van der Waals. Van der Waals had als dubbelspion herhaaldelijk geïnfiltreerd in verzetsgroepen en die als ‘Vertrauensmann’ vervolgens aan de Duitsers verraden. Vele tientallen verzetsmensen stierven door Van der Waals. Willem Frederik Hermans, die zijn roman De donkere kamer van Damokles heeft geïnspireerd op Van der Waals, noemde Koks boek ‘adembenemend’. Tot vlak voor hij in 1950 de doodstraf kreeg, hield Van der Waals vol dat hij alles in dienst van een geallieerde dubbelganger had gedaan – net zoals Hermans’ romanpersonage Osewoudt, die zei in opdracht van de mysterieuze Dorbeck te handelen.

Van der Waals trouwde en scheidde in de oorlog met diverse vrouwen. In 1944 trouwde hij met de 19-jarige Corrie den Held uit Voorburg, die tot na de oorlog bij hem bleef.

Tijdens het schrijven van De verrader, leven en dood van Anton van der Waals, probeerde Kok al in contact met Den Held te komen, om haar verhaal te horen. Ze weigerde toen. Maar door een toeval kwam hij haar weer op het spoor, en nu, zoveel jaren later, wilde ze wel vertellen over haar leven in die laatste jaren van de oorlog met een oorlogsmisdadiger.

Dat heeft geresulteerd in Oorlogsliefde, het boek dat Kok schreef op basis van een lange reeks gesprekken met Corrie den Held. Het verhaal dat Kok vanuit Corries perspectief vertelt, is meeslepend en ongelooflijk. Een keurig, braaf meisje uit Voorburg, uit een middenklasse gezin, dat tijdens een zeiltochtje uit gevraagd wordt door de charmante misdadiger, die zich voordoet als jonkheer baron H. van Lynden. Ze wordt mee uit genomen door ‘Henk’, zoals Corrie De Waals noemt, gaat duur uit dineren, terwijl overal schaarste is, komt in artistieke en hogere kringen: ze wordt in de watten gelegd. Ze wordt verliefd.

Alleen in de inleiding psychologiseert Kok: ‘Ze was verliefd geworden op een verzetsman die haar alles gaf wat ze thuis miste – aandacht en genegenheid – een galante kunst- en wijnliefhebber, een prettige en spannende vaderfiguur voor een vaderloos meisje dat niets gewend was.’

Daarna in het relaas van Corrie den Held blijven zulke redeneringen grotendeels achterwege; zij houdt van haar man, ondanks de toenemende, steeds duidelijker wordende gruwelijke waarheid. In feite is dit een boek over de ineenstorting van een romantische meisjesdroom, die parallel loopt met de ineenstorting van het Duitse Rijk. Aanvankelijk lijkt alles koek en ei. Corrie verlooft zich met ‘Henk’, ze bedrijven, als ze nog 18 is, voor het eerst de liefde in Henks dure appartement in Huize Boschzicht. Dan moet hij plotseling vanwege het ‘ondergrondse werk’ snel naar Loosdrecht uitwijken, waar hij als dr. ir. H.J. van Veen met haar gaat wonen.

Ze maken vrienden en trouwen er in vol ornaat: Henk laat een Erol Flynn-snorretje staan, zoals op de trouwfoto op het boekomslag te zien is. Maar kort daarna moet het stel weer op de vlucht, naar een woonboot bij Aalsmeer. Daar neemt Henk de naam aan van zijn ineens vermiste knecht Willem Mossinkhoff. Even later blijkt Henk het lijk van Mossinkhoff in het vooronder te hebben verborgen en zaagt het in stukken, en moet Corrie samen met Henk delen van het lijk in het water gooien tijdens een boottochtje. Het zijn fascinerende scènes.

Het onheil, waarvoor Corrie haar ogen steeds probeert te sluiten, wordt groter. Weer moet Henk vluchten, een nieuwe identiteit aannemen. Weer een moord. En ondanks alles – ze scheiden formeel, het is duidelijk dat hij voor de Duitsers werkt – blijft Corrie bij hem. In feite worden ze opgejaagd door de oprukkende geallieerden. Het paar ontkomt naar Duitsland, waar Van der Waals voor de Britten wil werken, reist dan in wanhoop door naar Berlijn, waar hij zijn diensten aan de Russen aanbiedt. Corrie blijft alleen achter, onder de zoveelste valse naam, in het kapot gebombardeerde Russische deel van Berlijn. Tot ze door de Nederlands Politieke Opsporingsdienst in 1946 wordt opgehaald, om in Nederland te getuigen tegen haar inmiddels gevangengenomen man. Dat doet ze openhartig.

Pas in dit boek, na een huwelijk met een andere man, inmiddels overleden, bij wie ze kinderen kreeg, inmiddels volwassen, spreekt ze er weer over.