Bij Hans Tentije geldt de wet van de wijnfles

Hans Tentije: Als het ware. De Harmonie, 67 blz., € 15,90

‘Schrap de bijvoeglijke naamwoorden.’ De hardnekkige overlevering wil dat Martinus Nijhoff zijn jonge collega’s dit poëtisch adagium ooit voorhield. Van alle literaire genres is poëzie inderdaad vaak bij decoratieve kaalslag gebaat. Maar altijd waren en zijn er ook dichters die taalrijke weelde verkiezen boven schamele schoonte. Hans Tentije is zo’n dichter. Hoewel: dichter? In 1990 publiceerde hij De innerlijke bioscoop. Een prozabundel werd dat toen genoemd, en als we de website van zijn uitgever nu geloven mogen was het bij nader inzien een roman. Maar na herlezing zou ik het zelf een bundel prozagedichten willen noemen. In het werk van Tentije zijn de genregrenzen blijkbaar ongewis en uitwisselbaar. Ook in zijn nieuwe dichtbundel, Als het ware, heerst de geest van het proza. Er wordt bovenal verteld en beschreven. Slechts de vrije regelval dwingt je als lezer te accepteren dat dit poëzie is.

Het verschil tussen proza en poëzie is en blijft discutabel. Het is de nachtmerrie van de literatuurwetenschapper: elke definitie van het literaire genre bezwijkt zodra een schrijver het etiket ‘gedicht’ hecht aan een tekst die niet aan de definitie beantwoordt. Voor de liefhebbende lezer geldt gelukkig de wet van de wijnfles. Niet het etiket, maar de inhoud bepaalt wat de kwaliteit is. En bij Tentije gaat het om ‘grand cru’. ‘Van over de eilanden’ is misschien niet het beste, maar wel een uiterst illustratief voorbeeld van zijn kunnen.

Van verre, van over de eilanden, komt als uit een hemels

nevelrijk, een onbereikbaar Ultima Thule, zeerook

opzetten – wat aarzelend eerst maar daarna

verspreiden de flarden zich en wordt het middaglicht gezeefd

en gedund tot er een onwezenlijke schemering

intreedt, waarin vuur en vlam flakkerend doven, lucht

en aarde, aarde, lucht en water nog amper

van elkaar te onderscheiden zijn en van meeuwen

het geweeklaag gedempter, gesmoorder

klinkt als tussen de schuin oplopende rietschermen, pas

aangeplant helmgras een hagedis wegschiet

en met zijn staart zijn sporen uitwist – beddingen

van traag wegstromend, heel rul

zand, de distels blauwend, zilvergrauw –

Hier wordt met woorden geaquarelleerd. Het gedachtestreepje aan het eind van het vers benadrukt het onvoltooide karakter. Dit is een voorstudie van wat nog komen moet. Met het kastlijntje maakt Tentije in Als het ware in dertien gedichten een reverence naar zijn oude meester Kouwenaar. Maar meer dan dat is het niet. Tentije speelt geen leentjebuur. Daarvoor is hij inmiddels te zeer zelf een meester.

Heb ik geen kritische kanttekeningen? Jazeker, vijftienmaal eindigt een gedicht met een geïsoleerde slotregel. Dat versterkt het poëtisch gehalte waar het gaat om regels als ‘geen wed, laat staan een Christophorus die hem overzet’ in de reeks ‘Een kind als dit’. In zes beeldrijke verzen beschrijft Tentije in die cyclus het naakte jongetje met looprek en windmolentje op de achterzijde van een altaarpaneel van Hieronymus Bosch. Maar in diezelfde reeks verstoren lamlendige slotregels als ‘voetje voor voetje – en dat al eeuwenlang’ en ‘de doodschrik die in ieder leven zit’ de intrige van de voorgaande regels.

Daartegenover staat veel subliems. Het Noord-Hollandse duinlandschap, de Noordzeebranding en het zestal blauwe reigers boven de Eilandspolder bij De Rijp kunnen niet beeldender worden beschreven dan door Tentije. Het hoogtepunt, waarmee de bundel terecht wordt afgesloten, zijn de negen ‘Venetiaanse passages’. Dat barok nog toekomst heeft wordt hier in breeduit meanderende disticha bewezen. Lees de beginregels van het slotvers van de cyclus.

Voorgoed zwijgen de sirenen en de lauwe windrimpelingen

die zich door jaloezieën, gordijnen heen

over plafond en wandtapijt bewogen, worden nu

via een slangachtige stortkoker afgevoerd, onder puin, verwrongen

leidingen, onder uit hun sponningen gelichte ingeslepen

vergezichten, onteigende dromen bedolven –

Eindigde het achtste vers van de cyclus met ‘op San Michele / worden de meeste graven binnen de tien jaar geruimd’, met bovenstaand citaat zet de vergankelijkheid van de dogenstad in een dwingende regelval slopend in.

o, om op zekere dag steeds verder af

te drijven, van jezelf, de laatste dingen, je heden.

Zulke slotregels nopen tot terugkeer naar het begin van de bundel, tot herlezing dus. Want hoe wervelend barok ook verwoord – er is veel bezonken waar in Als het ware.