Beste komiek onder acteurs

Simon Carmiggelt viel met de deur in huis, toen hij zijn dagelijkse Kronkelcolumn in Het Parool op 20 september 1955 begon met de vraag: ‘Hebt u Johnny Kraaijkamp eigenlijk wel eens gezien? Hij treedt op in het Café de Paris in de Leidsekruisstraat, het aangename wijnkroegje van de chansonnière Bettina, waar afwisselend de kelners zingen en de zangers bedienen.’ Waarna hij zijn enthousiasme even verderop pas echt de vrije loop liet met de woorden: ‘Zijn rond clownsgezicht is enorm expressief en zijn knotse vertellingen twinkelen van een humoristische vindingrijkdom en een blijmoedige uitbundigheid die me bijzonder hebben verrast, in een bar waar de cliënt zich meestal moet behelpen met een noodlottig kijkende dame, die in het Engels aan de microfoon vertelt dat haar alweer een minnaar is ontvallen.’

De eerste belangrijke recensie die Kraaijkamp ooit kreeg, staat 55 jaar na dato in namaakfascimile afgedrukt in het boek John Kraaijkamp van theaterhistoricus Xandra Knebel – vorige maand verschenen bij de 85ste verjaardag van de man die mag gelden als de beste acteur onder de komieken en de beste komiek onder de acteurs. Het is meer een carrièreoverzicht dan een biografie, hoewel ook ’s mans depressieve, meestal in alcohol gedompelde perioden niet worden verzwegen. De schrijfster, die eerder vergelijkbare boeken schreef over de toneelleiders Ton Lutz en Peter Oosthoek, maakt op gedempte toon melding van Kraaijkamps inzinkingen. En ook de vele conflicten met Rijk de Gooyer, met wie hij jarenlang het hoogst populaire duo Johnny & Rijk vormde, worden niet weggemoffeld. Zo ontstaat een beeld dat weliswaar een cliché is, maar daarom niet minder waarheidsgetrouw: de clowneske artiest die door zijn tragische tegenkant en zijn veelvuldig doorschemerende melancholie ver uitsteekt boven de massa van guitige grappenmakers.

In zijn nu om gezondheidsredenen beëindigde loopbaan heeft Kraaijkamp alle fasen doorlopen die hem tot zo’n gelouterde publieksfavoriet hebben gemaakt. Hij begon als jongenssopraan (als voornaamste concurrent van zijn leeftijdgenoot Willy Alberti), switchte met de baard in de keel naar de status van jongenstenor, werd als zanger en contrabassist de zotte gangmaker in allerlei caféorkestjes, groeide uit tot de door heel Nederland geknuffelde komiek met zijn beurtelings onschuldige en stoute oogopslag en beleefde ten slotte zijn apotheose als karakteracteur die op latere leeftijd met een Louis d’Or (voor zijn hoofdrol in Jacques de fatalist bij het RO Theater) kon toetreden tot de gelederen van de grootste toneelspelers van het land. Door die zeer diverse ervaringen is hij een acteur geworden die, zoals Xandra Knebel het omschrijft, ‘de dubbele emotie van hilariteit en ontroering in de toeschouwers naar boven weet te brengen’.

Dat verhaal wordt hier niet alleen in woorden verteld, maar vooral ook in foto’s. Het zijn er minstens honderd, meestal op groot formaat en voorbeeldig gereproduceerd, die de hoofdpersoon laten zien in geposeerde privésituaties en in de meest uiteenlopende toneel-, tv- en filmuitdossingen. Het typeert Kraaijkamp dat hij doorgaans dwars door alle schmink herkenbaar is gebleven. Een van de weinige uitzonderingen is de vermomming die hij onderging als Fagin, de lepe baas van de zakkenrollertjesbende in de musical Oliver! Maar verder hadden zijn talenten niet veel van doen met transformeren. Hij kroop niet in de huid van zijn personages, zij kropen in de zijne.

Xandra Knebel: John Kraaijkamp. VandenEnde Foundation/Nieuw Amsterdam, 144 blz. € 25,-