Behoud van lijf en leden

Veel Nederlanders vinden dat er wel op kunst en cultuur bezuinigd mag worden. Maar leven zonder kunst is als een leven op water en brood, zegt Ann Demeester. „Het zijn groenten en fruit die zorgen voor een uitgebalanceerd dieet.”

Er doen geruchten de ronde dat er in 2012 een nieuwe verfilming komt van de sciencefictionroman Fahrenheit 451 van schrijver Ray Bradbury. De roman uit 1953 schetst het Amerika van de onbekende en ongewisse toekomst, waarin alle burgers zich overleveren aan primaire instincten en waarin kritisch denken, literatuur en eigenlijk alle boeken verboden zijn. Alles wat tekst en teken op papier is, wordt in opdracht van de overheid systematisch en meedogenloos vernietigd door de brandweer. Brandweerman Guy Montag, de Jan Modaal die het hoofdpersonage van dit verontrustende verhaal is, komt tot plotselinge inkeer na het lezen van de zin ‘Time has fallen asleep in the afternoon sunshine’, in een boek dat hij vlak voor het uitvoeren van een nieuwe eliminatieopdracht onder ogen krijgt. Hij steelt het boek en ontpopt zich geleidelijk tot een bibliofiele dissident die het gedrukte woord van de vergetelheid wil redden.

Bradbury leeft nog en het is verleidelijk te bedenken hoe hij de roman nu zou herschrijven met het oog op een nieuwe verfilming. Wat als Bradbury de roman zou situeren in de Lage Landen van de Toekomst? Wordt het een dystopische zedenschets waarin niet alleen boeken maar alle vormen van cultuur onmogelijk worden gemaakt? Een boek waarin kunst en cultuur verworden zijn tot obscure verschijnselen die niet langer door de overheid gepromoot, laat staan ondersteund, worden en die louter nog door een ondergrondse (linkse) elite worden geproduceerd en ‘geconsumeerd’? Een roman waarin instituten als het Rijksmuseum en het Mauritshuis de schatten van het verleden etaleren maar waarin ‘nieuwerwetse’ vormen van kunst en cultuur geen platform meer hebben en marginale fenomenen zijn geworden? Waarin het GEM in Den Haag getransformeerd is tot een ‘paintballhal’, de Stadsschouwburg tot tweede gemeentehuis, BAK in Utrecht tot beautysalon en het Groninger Museum tot nachtclub?

Zo’n roman zou ons mogelijkerwijs helpen om de huidige roep tot het afschaffen of beperken van kunstsubsidies in een ander licht te zien. Sciencefiction en de daarbij horende uitvergroting en overdrijving kunnen ons helpen de zaak op scherp te stellen, meer dan een realistische reportage of diepgravende documentaire dat kunnen.

We weten dat een bradburyiaans scenario onrealistisch is en dat het hoogstwaarschijnlijk niet zo’n vaart zal lopen. Geen weldenkend politicus – het boegbeeld van de PVV, een verdwaalde VVD’er en een overijverige SP’er uitgezonderd – zal het idee om alle toelages voor professionele cultuurproducenten en kunstinstellingen af te schaffen daadkrachtig omzetten in beleid. Bovendien is iedereen die in de cultuursector werkt zich bewust van het feit dat besparingen op de eigen activiteiten onvermijdelijk zijn nu geheel Nederland de broekriem moet aanhalen. Iedereen moet inleveren en het artistieke segment van de samenleving kan daarop geen uitzondering vormen. ‘Ondernemerschap’ is al meer dan een beleidsperiode lang een doelstelling waar in de sector met veel wilskracht naartoe wordt gewerkt. Zelfredzaamheid staat hoog in het vaandel van vele instellingen – hoe moeilijk dat ook te bewerkstelligen valt. Dat moge duidelijk zijn.

Kunstinstellingen en kunstenaars hebben meer dan eens aangetoond dat ze ook in precaire omstandigheden met minder kunnen overleven en op basis van enthousiasme en doorzettingsvermogen gewoon blijven bestaan. ‘Keeping things afloat’ is een van de specialismen van de sector. Daar zit het ware probleem niet. Het probleem zit hem ook niet in het feit dat zes op de tien Nederlanders ervan overtuigd zijn dat in het kader van grootschalige bezuinigingen bij voorkeur gehakt moet worden in ‘ontwikkelingssamenwerking’ en als dat niet meteen wat oplevert dan het liefste snoeien in de bijdrages voor de ontwikkeling van kunst en cultuur. Die armlastige anderen in de rest van de wereld redden het ook wel (of net niet) zonder steun van Nederland. En kunst en cultuur zijn immers niet zo levensnoodzakelijk als brood en water voor het behoud van eigen lijf en leden.

Het ware probleem lijkt hem te zitten in het feit dat deze zes op de tien burgers er vermoedelijk van uitgaan dat kunst en cultuur factoren zijn die we makkelijk kunnen uitschakelen zonder dat dit al te grote gevolgen heeft. Uit een opinieonderzoek dat bureau Synovate in opdracht van het televisieprogramma Nova uitvoerde blijkt dat slechts 3 procent van de duizend ondervraagden vindt dat er absoluut niet bezuinigd mag worden op kunst en cultuur. Waarschijnlijk ervaren ze kunst als een surplus dat sans problème kan worden geëlimineerd. Weliswaar niet op de radicale manier die Bradbury schetst, maar door het langzaamaan uithongeren van de cultuursector door die op een minimaal rantsoen te plaatsen.

Even verontrustend is dat wij – de protagonisten uit de culturele sector – vaak verschrikt en ogenschijnlijk lethargisch reageren als we het bovenstaande constateren. Er zijn voldoende standaardargumenten van inhoudelijke, maatschappelijke en economische aard om het bestaan en de noodzakelijkheid van kunst en cultuur te legitimeren. Denk aan uitspraken als ‘de kunsten hebben bijgedragen aan de intellectuele en mentale groei van de mensheid’, ‘kunst bevordert het gemeenschapsgevoel’, of ‘kunst levert een effectieve bijdrage aan de toerisme-industrie en functioneert als een vestigingsfactor voor bedrijven en geeft bijgevolg een boost aan de lokale economie’. Maar geen van die argumenten lijkt te beklijven, hoe ‘waar’ of ‘feitelijk’ ze ook zijn. Verkiezingscampagnes leren ons dat de kracht van de boodschap in de herhaling zit en we kunnen het dan ook niet vaak genoeg – te pas en te onpas en overal – verkondigen. Als we ons beperken tot de ‘afdeling beeldende kunst’, dan klinkt het als volgt.

Beeldende-kunstinstellingen en musea zijn visuele alfabetiseringsmachines. Ze helpen ons om beelden te leren lezen. En aangezien we dagelijks overspoeld worden door een lawine van beelden van allerlei aard is dat geen overbodige luxe. Kunstinstellingen en musea maken ons vertrouwd met wat niet meteen begrijpelijk is, niet meteen te vatten in oneliners. Ze leren ons omgaan met wat complex is, soms ambigu en altijd anders. Internet stelt ons in staat om een makkelijk antwoord te krijgen op welke vraag dan ook (met dank aan Google en Wikipedia). Helaas helpt dit ons niet in de omgang met de soms lastige subjectiviteit van andersdenkenden en het ontwikkelen van bedachtzaamheid.

Kunstinstellingen en musea kunnen hierin wel een rol spelen. Los van het feit dat ‘kijken naar kunst’ gewoon, fijn en aangenaam kan zijn, tonen ze ons tevens wat ‘anders’ is en vragen ons daarbij stil te staan. Even te pauzeren, wat langer na te denken en niet meteen een (boude) opinie te formuleren. Kunst vraagt ons om feiten en meningen, dingen en mensen, te heroverwegen, te herbekijken en nooit als evident en vanzelfsprekend te zien. En nee, dat is niet altijd prettig of makkelijk. Al kan het ook een waar genoegen zijn, het is niet ieders ‘cup of tea’. Maar wel verre van verwaarloosbaar. Niet het spreekwoordelijke brood en water dat ons in leven houdt, maar wel de groenten en het fruit die zorgen voor een uitgebalanceerd dieet.

Wat zou het hedendaagse en Nederlandse equivalent zijn van ‘Time has fallen asleep in the afternoon sunshine’, de zin die voor Guy Montag als wake-upcall fungeerde? Die ene zin of ervaring die ervoor kan zorgen dat kunst en cultuur niet langer worden gezien als een ‘linkse hobby’ maar een ‘(voor)recht voor allen’ dat we gezamenlijk in stand moeten houden en zorgvuldig cultiveren? Laten we naar dat magische ‘Sesam open u!’ op zoek gaan!

Voetballer Klaas-Jan Huntelaar deed in deze krant vorige week alvast een voorzetje. „Het leven draait niet alleen om voetbal”, zei hij. „Ik heb dat bijvoorbeeld met kunst, dat kan ik echt mooi vinden. Toen ik op een keer een museum bezocht viel me de Italiaanse schilder Caravaggio op. Op de een of andere manier raakte hij me ergens mee, maar ik kan niet precies zeggen hoe dat nu komt.”

Ann Demeester is directeur van kunstcentrum De Appel in Amsterdam.