Als de Jumbo-schuld te groot wordt, gaat het goed mis

De EU-leiders praten vandaag over 110 miljard hulp aan Griekenland.

Ook dit geld moet weer worden geleend. Hoelang kan dit nog doorgaan?

Alles went, en dat geldt ook voor grote getallen. De 110 miljard euro voor Griekenland waar de EU-regeringsleiders zich vandaag over buigen en waar de Tweede Kamer over stemt, is zo’n voorbeeld.

Na alle steun voor banken, de enorme verliezen en afschrijvingen die zijn geleden door de kredietcrisis en de forse toename van de begrotingstekorten in de westerse landen lijkt een miljardje of 110 extra er steeds minder toe te doen.

Maar hoe groot was dat bedrag ook alweer?

Enorm – in alledaagse termen dan. Een splinternieuwe Nederlandse woonwijk voor een miljoen mensen bijvoorbeeld, inclusief infrastructuur en alles erop en eraan. Of 1,2 maal alle westerse officiële ontwikkelingshulp in een jaar. Alle inwoners van de gemeente Haarlem zouden hun hele leven het netto inkomen moeten afstaan om het bedrag op te brengen.

En dat alles alleen voor de hulp aan Griekenland, een bescheiden staatje aan de rand van Europa met elf miljoen inwoners. Steun aan Portugal, Spanje en Italië zou, volgens schattingen op de financiële markten, al snel 500 miljard euro kosten.

De redding van Griekenland geeft aan hoe groot het schuldenprobleem in het Westen geworden is. Voor het eerst sinds, in de jaren zeventig, het Verenigd Koninkrijk een vernederende gang naar het Internationale Monetaire Fonds moest maken, is het IMF weer betrokken bij een Europees land. De andere eurolanden moeten, tegen de afspraak in dat zij elkaar niet financieel zullen steunen, bijspringen met 80 miljard euro.

Daarmee is wat met een gerust hart ‘de westerse schuldencrisis’ mag worden genoemd, in een nieuwe fase beland. Eerst bezweken banken aan hun schuldenlast, in de kredietcrisis. Daarna volgde een zware recessie die zich kenmerkte door een acute vraaguitval bij bedrijven en consumenten, die ook zwaar in de schulden zaten. De overheid loste het op, met steun aan de financiële sector, het laten oplopen van het begrotingstekort en hier en daar acute economische steun.

Zo komen de overtollige schulden voor een deel terecht bij de staat. De staatsschuld van de gezamenlijke eurolanden liep de afgelopen vier jaar op van 71 procent van het bruto binnenlands product naar 93 procent – en zal nog veel verder stijgen.

Maar dat is nog lang niet alles.

In de nieuwe wending van het plot die de zaak-Griekenland inluidt, zullen de rijkere landen de schulden van de wankele westerse landen op zich moeten nemen. Het Nederlandse aandeel in de Griekse redding van naar schatting 5 miljard euro zorgt ervoor dat de staatsschuld hier extra stijgt, met bijna een procentpunt van het bruto binnenlands product. Want Nederland zal het bedrag voor Griekenland zelf ook weer moeten lenen.

De schuldenberg gaat niet weg. Hij wordt alleen verplaatst naar kredietwaardiger spelers. Totdat ook die gewantrouwd worden. Want de beste lener van allemaal, de VS, rust onder een enorme particuliere schuldenlast.

En dat geldt ook voor de Amerikaanse overheid. In Europa heeft Duitsland de rol van laatste vluchthaven in een schuldencrisis die met de week aan hevigheid lijkt te winnen. Maar hoe is het ook alweer gekomen?

Na de oliecrises, de stagnatie en de inflatie van de jaren zeventig ging de westerse economische politiek in de jaren tachtig een nieuwe fase in. Niet langer de overheid, maar de markt werd gezien als het beste verdeelmechanisme voor werk en welvaart. Er brak een kwart eeuw aan waarin de inflatie gestaag daalde, de overheidsfinanciën weer op orde kwamen, de rentevoet structureel omlaag kon en de economische cyclus vrijwel getemd leek. The Great Moderation wordt deze periode achteraf genoemd, de Grote Matiging.

Wat er niet matigde waren de schulden. De liberalisering in de financiële sector, en de uitvinding van allerlei nieuwe financiële technieken en instrumenten, zorgde voor een explosie van de balansen van banken. Bedrijven kregen te horen dat de 40 tot 50 procent eigen vermogen van het balanstotaal dat zij er op nahielden, zeer onverstandig was. Dertig procent kon ook, wat heet: 20 procent. Beleggers eisten van banken en ondernemingen dat zij hun prestaties opvijzelden. Dat kon door meer schulden te maken – en zo de hefboom op hun eigen vermogen te verlengen.

Bij consumenten viel het taboe op schulden volledig weg. Een vriendelijke fiscale behandeling werkte het aangaan van schulden verder in de hand. Zelfs vermogenden werd aangeraden zo veel mogelijk schulden te houden. Moderne bedrijfsopkopers gebruikten schulden om de laatste resten rendement uit ondernemingen te persen, waarbij bijvoorbeeld het vastgoed werd gekocht en weer teruggeleend. Huizenkopers mochten schulden aangaan die de traditionele berekeningen op basis van het inkomen steeds verder te boven gingen.

Maar kon dat allemaal wel?

Natuurlijk. Rond de eeuwwisseling, toen de Nieuwe Economie in zwang raakte, dachten steeds meer economen, waaronder de OESO zelf, dat hevige conjunctuurschommelingen iets uit het verleden waren. De wereld werd steeds voorspelbaarder, waardoor er grotere risico’s genomen mochten, en konden, worden.

Combineer dat met een monetair beleid van steeds lagere rentes; en een grote schuld werd de poort naar een toekomst van stijgende prijzen van activa, vastgoed en aandelen – en een structureel toenemende winstgevendheid. Wie, kortom, geen schuld had, was gek.

Rond 1990 bedroegen, volgens een studie van McKinsey, de totale schulden van consumenten, bedrijven, de overheid en de financiële sector in een doorsnee westerse economie tussen de 120 procent en 200 procent van het bruto binnenlands product. Tien jaar daarvoor was dat, afgelezen aan de schaarsere data voor dat jaar, nog veel minder. Maar op dit moment zijn de totale schulden gegroeid tot tussen 240 en 450 procent van het bruto binnenlands product. Dat is een verdubbeling.

Schulden zijn een hefboom: je kunt er dingen mee ondernemen, of kopen, die anders onmogelijk zouden zijn: je kunt een bedrijf alleen starten als je geld van de bank leent.

Maar dan.

Zet een olifant in een zitje op een wip – en loop over de balk van de wip naar de andere kant. Als de balk aan die kant maar lang genoeg is, komt er een punt dat Jumbo verbaasd kijkend de grond zal verlaten. Maar als het beest plotseling ook maar iets zwaarder zou worden, dan zou je aan het lange eind van de wip met noodlottige gevolgen worden gelanceerd.

Hoe langer de hefboom, hoe groter het risico. Daar zijn de industrielanden de afgelopen jaren hardhandig achter gekomen. Nederland is, met een totale schuld van viermaal het bruto binnenlands product, na Japan en Groot-Brittannië, overigens een van de ernstigste gevallen, met dank aan vooral de enorme hypotheekschulden.

Tegenover de enorme schulden in het Westen staat bezit. Dat bezit kan in waarde fluctueren – en de waarde is juist door de verschuldiging mede opgedreven. Maar de schuld blijft. Altijd. En op dat punt zijn we nu.

Tijd voor de grote vragen.

In hoeverre is de welvaartsgroei van de afgelopen kwart eeuw te danken geweest aan de zegeningen van de ontketende vrije markt, en in hoeverre aan het aangaan van steeds meer schulden? Is het huidige schuldniveau wel houdbaar, of zijn de problemen van Griekenland de voorbode van een aanstaande ontploffing? Hoe ‘onthefboom’ (deleverage) je tijdig de economie zonder een lange pijnlijke periode van ondermaatse welvaartsgroei of zelfs welvaartsdaling?

Grote kans dat dit jaar het antwoord komt. Grote kans ook dat een toekomstig Chinees historicus 2010 zal aanwijzen als het jaar dat het Westen verdronk in zijn eigen schulden en de macht in de wereldeconomie definitief oostwaarts kantelde.

Zijn belangrijkste bewijsstuk? Alleen al de Chinese valutareserves bedroegen in april van dit jaar het twintigvoudige van de 110 miljard euro die Europa zo moeizaam voor Griekenland bij elkaar sprokkelt.