Teamspirit, dat is het belangrijkste

Nederland speelt vanaf morgen in Zoetermeer tegen Italië in de Davis Cup.

Drie oudgedienden vertellen hoe het is om te tennissen voor je vaderland.

„In mijn tijd was de Davis Cup heel anders”, zegt Tom Okker, door velen beschouwd als de beste Nederlandse tennisser aller tijden. Hij stond derde op de wereldranglijst, speelde in de jaren zestig en zeventig tegen tennislegendes als Rod Laver, Arthur Ashe en Björn Borg en kwam voor Nederland uit in de Davis Cup. „Er kwam toen geen lawaai vanaf de tribunes zoals nu. En er waren geen fans gehuld in de kleuren van het thuisland.” De Davis Cup lijkt nu wel een voetbalevenement, vindt hij.

Okker (66) was in zijn tijd de enige Nederlandse tennisser in de internationale top. „Ik ging dus altijd met weinig illusies naar de Davis Cup, want in je eentje kun je geen Davis Cup winnen. Als we met 3-2 verloren hadden we het heel goed gedaan. In de jaren negentig had Nederland meerdere goede spelers en dubbelspecialisten, zoals Jacco Eltingh en Paul Haarhuis; die konden echt meedoen om de prijzen.”

Een van Okkers mooiste herinneringen aan de Davis Cup is de wedstrijd tegen de Spanjaard Manuel Santana in 1968. „Prinses Irene en Carlos Hugo waren erbij toen ik Santana in vijf sets op eigen bodem in een vol stadion versloeg. Uiteindelijk verloren we met 3-2, maar het blijft toch een mooi moment.”

Paul Haarhuis maakte in de jaren negentig deel uit van ‘de gouden generatie’ en bereikte in 2001 de halve finales van de Davis Cup. „Ik heb het gevoel dat de Davis Cup nu minder leeft dan in de jaren negentig. Toen waren er nog tien- tot twaalfduizend toeschouwers in de Utrechtse Jaarbeurs en hadden ze nog wel een paar duizend tickets kunnen verkopen.”

Volgens Haarhuis (44) hangt de tegenvallende populariteit samen met de matige prestaties van de laatste jaren. „In mijn tijd waren er veel Nederlandse spelers die in de internationale top meedraaiden. Dan speel je jezelf wekelijks in de kijker. Nu doet alleen Thiemo de Bakker dat sinds kort.” Voor Haarhuis was de Davis Cup na de grandslamtoernooien het grootste evenement van het jaar. „Het is geweldig om voor je land uit te komen en te weten dat Nederland achter je staat.” Voor aanvang van een wedstrijd voor de Davis Cup was hij altijd een beetje zenuwachtiger dan voor andere wedstrijden. „Omdat je je als team voorbereidt op de Davis Cup is er extra druk op de ketel; je werkt samen ergens naar toe.”

Teamspirit is volgens Haarhuis heel belangrijk in de komende ontmoeting tegen Italië. „Sommige teams kunnen zonder teamspirit winnen. McEnroe en Connors konden niet door één deur en toch waren ze heel goed als team. Nederland zal dit weekeinde wél teamspirit moeten hebben. Italië is namelijk op papier beter. Het dubbelspel zou weleens cruciaal kunnen worden.”

Ook voor Michiel Schapers, die ooit 46 games in één set speelde in de Davis Cup en later als coach het Nederlandse team begeleidde, was de landenstrijd iets heel speciaals. „Je moet één geheel zijn, de eigenaardigheden van elkaar accepteren in de voorbereidende week. Tennis is een individuele sport waarin iedereen een eigen doelstelling heeft, maar tijdens de Davis cup is de doelstelling voor iedereen gelijk.” Volgens Schapers (50) is er dit jaar een goede balans tussen jonge jongens en ervaren krachten. „De jonkies kunnen iets nieuws brengen, Sluiter brengt de ervaring. Coach Siemerink is goed voor de teamspirit.”