Poverty porn of juist hulp?

Om honger een gezicht te geven, filmde José Padilha hoe mensen verhongeren.

Het dilemma voor de kijker: is het educatie of exploitatie?

Vijfenveertig dagen filmde de Braziliaanse regisseur José Padilha voor Garapa (2009) een drietal van de armste families van zijn land om aandacht te vragen voor het feit dat er wereldwijd meer dan een miljard mensen honger lijden.

Anderhalve maand lang hield hij zich afzijdig. Hij filmde en hij filmde. Hoe ze geen werk hebben en geen geld en daarom geen eten. Hoe ze hun kinderen een mengsel van rietsuiker en water te drinken geven, de ‘garapa’ uit de titel. En zelf hun honger stillen met sigaretten en het rumachtige drankje ‘cachaça’ dat ze van hetzelfde suikerriet stoken. Elke dag stond Padilha bij het krieken van de dag op, at een stevig ontbijt en ging op pad om minutieus vast te leggen hoe deze mensen verkommerden.

Garapa is vanaf morgen te zien op het zesde Latin American Film Festival in Utrecht, waar je cocktails kunt drinken en feesten en een aantal van de beste Latijns-Amerikaanse films van het afgelopen jaar kunt zien. Garapa is een beetje een buitenbeentje daar. Padilha houdt ervan te provoceren. Zijn Gouden Beer-winnaar Tropa de elite, over het schoonvegen van de favela’s ter gelegenheid van het pauselijke bezoek aan Rio de Janeiro van 1997, kreeg het verwijt geweld te verheerlijken. Met Garapa beschuldigt men hem van ‘poverty porn’ of ‘famine porn’: esthetisch in beeld gebrachte kindertjes met bolle buikjes om aandacht te vragen voor de goede zaak. Is het exploitatie of educatie? Die vraag werd nog gecompliceerder toen Padilha vorige week na de vertoning van zijn film op het New Yorkse Tribeca Film Festival toegaf zich er alleen doorheen te hebben geslagen met de wetenschap dat hij na afloop van het filmen de families financieel zou kunnen helpen.

Het is een interessant dilemma. Om honger een gezicht te geven, heeft Padilha een maand lang gefilmd hoe mensen verhongeren. Daarna gaf hij ze de rechten van de film. Zo bevindt het publiek zich in een gecompromitteerde positie: wie de film ziet, helpt de mensen. Maar daarvoor moesten zij een maand lijden, en de kijker daarvan honderd minuten genieten.

De vraag of iets ‘poverty porn’ is, wordt de laatste tijd vaker gesteld: ook speelfilms als Slumdog Millionaire en Precious kregen dat verwijt. Ze zouden armoede en misère zo grafisch tonen dat het op een perverse manier glamoureus en aantrekkelijk wordt. Verloedering als entertainment voor de rijken.

Bij documentaires is de achterliggende vraag vaak of de filmmaker niet een morele grens overschrijdt door niet in te grijpen, maar alleen te registreren. Het dilemma van de oorlogsfotograaf, wordt dat ook wel genoemd. Kunstenaar Renzo Martens stelde het vilein aan de kaak in zijn documentaire Episode 3: Enjoy Poverty, de spraakmakende opening van het IDFA in 2008. Martens stelde in Congo vast dat er veel (hulp)geld valt te verdienen aan het vastleggen van armoede: hij noemde het de meest lucratieve hulpbron van Congo. Zouden de armen dan zelf niet moeten profiteren door hun eigen leed te filmen?

Padilha vindt zijn oplossing voor dit morele dilemma vrij elegant. Met Garapa slaat twee vliegen in één klap. Hij zet het onderwerp op de kaart, geeft de statistieken een gezicht, en er stroomt nadien wat geld naar de geportretteerden. Zeker als de film vanaf eind deze maand ook in de Braziliaanse bioscopen te zien is.

Garapa is morgen te zien op het Latin American Film Festival in Utrecht om 19.15 uur, en op donderdag 13 mei om 13.15 uur. Kijk voor meer informatie over het festivalprogramma op www.laff.nl