Naar de herdenking

Nu Glenn met zijn zusje toevallig op de avond van de Dodenherdenking bij ons was, leek het me wel goed hem mee te nemen. Nee, niet naar de Dam, waar ik zelf meestal die avond heenga, maar naar het homomonument op de Keizersgracht, schuin achter het Anne Frank Huis. Daar had ik al eerder een sympathieke, kleinschalige herdenking meegemaakt.

Voor Glenn was het een welkom verzetje. „Dodenherdenking, wat is dat?” vroeg hij nog wel even.

„Dan wordt het een paar minuten heel stil en denken we aan de mensen die dood zijn gegaan in oorlogen en zo”, vatte ik het nogal grof samen.

„Zodat die mensen niet vergeten worden”, vulde zijn moeder aan.

We zijn een educatieve familie. Glenn vond het prima, vooral toen hij hoorde dat er aan het einde een ijsje op hem wachtte bij Monte Pelmo, een prominente ijssalon in de Jordaan. Welgemoed gingen we op pad, hij met de klemmende opdracht van zijn grootmoeder om mijn rechterhand vast te houden of in ieder geval ‘achter de paaltjes’ te blijven – de ‘Amsterdammertjes’ tussen rijweg en stoep. Als grootouders lijden we allemaal aan het kleinkind-rukt-zich-los-en-wordt-overreden-syndroom.

Het was nog geen tien minuten lopen naar de locatie, die bovendien het voordeel had dat ze in de schaduw van de Westerkerk lag. Voor die kerk heeft Glenn een buitengewoon groot zwak. Als hij hem ziet, stelt hij er altijd minstens één vraag over. Ditmaal was het: „Hoe hebben ze die vlag daar gekregen?” Hij doelde op de nationale driekleur die hoog uit de toren stak.

„Dat heeft iemand gedaan die niet bang was om te vallen”, zei ik.

Hij knikte. Het zou wel een klus voor hém zijn geweest, want hij had al eerder gezegd dat hij graag eens die toren op wilde.

We arriveerden aan de late kant – tien voor acht – bij het monument, maar ik had daar bewust voor gekozen, omdat het herfstig koud en winderig was, geen prettige weersomstandigheden voor een jongetje dat zich muisstil moest houden. Het was er drukker dan ik had verwacht, enkele honderden mensen stonden al in rijen om het monument dat met hekken was afgezet. Ik nam Glenn op de arm en liet hem de troepen inspecteren: enkele rijen militairen die op het punt stonden in de houding te springen.

„Waarom al die politie?” vroeg hij. Mijn antwoord ging aan hem voorbij, zijn oog viel op een zwartharige vrouw, een genodigde kennelijk, want ze stond binnen de omheining. Ze had zich gewikkeld in de bontst denkbare lappen – een soort zuurstok op poten. „Wie is dat?” vroeg hij verbijsterd. Maar we moesten zwijgen. De taptoeblazer begon aan zijn signaal en ik hield Glenn met twee steeds lammer wordende armen zó hoog vast dat hij hem nog net tussen enkele hoofden door kon zien.

Het beviel hem wel en met de stilte erna had hij ook geen moeite. Toen oud-minister Plasterk aan zijn redevoering begon, gingen we ons ijsje halen – caramel voor hem. Jongetjes van vijf hoeven nog niet naar redevoeringen te luisteren.

Toen we thuiskwamen vroeg mijn vrouw op rustige toon: „Hebben jullie gehoord wat er op de Dam is gebeurd?” Nee, wij hadden niets gehoord, ook al was het maar een kilometer verder geweest. Ze zei er niet te veel over. Glenn merkte niets, hij zat alweer over een tekening gebogen. Er kon hem niks meer gebeuren.