Met beide armen omhoog de gekte in

Ik was nog nooit naar de Dodenherdenking op de Dam geweest. De vriend met wie ik die avond zou gaan eten, ging elk jaar. Dus ik ging mee.

Zigzaggend door de massa zochten we naar een groepje vrienden, onder wie ook mijn vriendje. „Steek je hand eens op”, zei ik aan de telefoon. Ik zag acht zwaaiende armen in de lucht. Blijkbaar beproefden meer mensen die methode. Gelukkig ben ik vrij lang en is mijn vriendje nog oneindig veel langer, dus na even schuifelen hadden we elkaar gevonden. „Best veel beveiliging”, zei iemand. Hij wees naar een balkon van de Bijenkorf. Daar stond een donkerblauw figuurtje met een geweer in zijn handen, wat ik er behoorlijk 24-esk uit vond zien. Toen begon de ceremonie en daalde de stilte over de Dam.

Na de laatste noot van de trompet was enkel het klapperen van de vlaggetouwen te horen. Ik concentreerde me op het intense zwijgen. En toen klonk er geschreeuw. Ik dacht dat het rellende jongeren waren, die al apengeluiden makend even de massa wilden moonen. Ik keek of ik iets kon zien en dacht de gemeenschappelijke verontwaardiging en ergernis van de massa te voelen, maar toen begon er iemand te gillen. Het moment daarop hoorde ik het gestamp van rennende voeten, zag ik iedereen voor me zich omdraaien en brak de massa als een golf uiteen. De mensen om me heen gilden en renden weg. In een seconde dacht ik: dit wordt een ramp. Ik ga een ramp meemaken. Ook ik stond klaar om te vluchten: als mensen wegrennen zal daar wel een reden voor zijn. Maar mijn vriend pakte me vast en zei: „Niet rennen, rustig blijven”, en zette zich schrap. En toen was het eigenlijk alweer voorbij. De massa kwam tot rust, mensen bleven verwonderd staan, iedereen zocht zijn groep. Mensen omhelsden elkaar en huilden.

„Zo”, zei ik, lacherig van opluchting en adrenaline. „Het is duidelijk wie van ons twee het meest stressbestendig is. Ik was met beide armen omhoog de gekte ingerend.” Een meisje aan haar vaders hand riep: „Wat was er nou?” Ze herhaalde het een keer of zes, maar niemand kon antwoord geven. Inmiddels vertelde de ceremoniemeester dat er iemand onwel was geworden. „Dat is alleen om paniek te voorkomen”, snoof iemand. „Dat zeggen ze altijd.” Nog steeds wist niemand wat er echt gebeurd was. Het Wilhelmus werd ingezet en het leek of mensen extra plechtig meezongen, alsof ze wilden benadrukken dat we ook het trauma van vijf minuten geleden als volk hadden overleefd. Door de muziek klonken sirenes. Niemand wist of het enkel paniek of iets anders was geweest, maar ik had voor het eerst gevoeld hoezeer een mensenmassa een kudde is, compleet met dat doffe, roffelende geluid van de voeten, onvoorspelbaar en met zijn allen zomaar ineens gevaarlijk.

Renske de Greef