Kind op speciale school kost veel

Passend Onderwijs moet kinderen met een stoornis langer op de gewone basisschool houden. Beter voor het kind, is de idee. En goedkoper.

In de klas van juf Aleid zit een jongetje dat op zijn vorige basisschool elk uur naar een andere klas werd gestuurd. Niemand kon zijn gedrag langer dan een uur velen. Ieder uur verkassen, is voor elk kind zwaar. Voor een autist is dat de hel.

Juf Aleid: „Veel kinderen die hier opbloeien dankzij de rust en structuur, hebben het vre-se-lijk gehad op de basisschool.” Op de Van Detschool (speciaal onderwijs) in Amsterdam zitten 141 jongens en 9 meisjes.

Kinderen zoals die op de Van Detschool moeten straks langer op de gewone basisschool blijven. Tussen gewone kinderen, met een gewone leerkracht, in een groep die 2,5 keer zo groot is. Ze krijgen daar wel extra hulp. De vernieuwing die dit voorschrijft, heet Passend Onderwijs. Ook gewone scholen, is het idee, moeten ‘passend’ onderwijs bieden voor kinderen met een handicap. Waarom zou je hen verbannen naar een school vol lotgenoten, vaak ver van huis?

De operatie gaat in 2012 in, maar komend schooljaar wordt alvast 24 miljoen euro bezuinigd in de geest van Passend Onderwijs – want een bezuiniging is het ook. Van de 4- tot 12-jarigen zit 5 procent op het speciaal (basis)onderwijs. Speciale scholen zijn per kind drie keer zo duur als gewone. En ze kunnen de vraag niet aan: jaarlijks wachten 4.000 kinderen thuis op een plek. Dus wordt de toelage voor een kind dat naar een speciale basisschool gaat, deze zomer verkleind tot 2.000 euro per jaar. Dat moet ouders stimuleren te kiezen voor de gewone school, waar een ‘rugzakje’ nog 6.000 euro bevat.

Om kwart over negen mogen de kinderen van de ‘gemengde klas’ op de Van Detschool vertellen wat ze dat weekeind hebben gedaan. Vader bezocht. Computerspelletjes gespeeld. Mortal Combat, vertelt een jongen opgewonden, een spel voor 18-jarigen. De kinderen zijn 8 tot 11. De jongen naast hem zegt zonder spoor van emotie: „Ik vind het verdrietig dat mijn moeder voor haar vriend heeft gekozen.” Het jongetje woont nu bij zijn vader. Zijn familie staat achter hem hoor, meldt hij. „Ze zal er later spijt van krijgen.”

Om half tien somt Tamara (10) bij het bord op wat de klas hoe laat gaat doen. „Als we daar een moment van afwijken, raken de kinderen ontregeld”, legt de juf uit.

In de gemengde klas zitten kinderen met allerhande stoornissen: ADHD, autisme, of iets wat erop lijkt. Zij kunnen het aan om bij elkaar, gemengd, te zitten. Verderop is een lokaal waar alleen autisten zitten. Zij kunnen alleen elkaar aan. Ze zitten in een prikkelarme kamer, met schotten rond sommige werkplekken zodat ze niet worden afgeleid. De dag moet hier nog voorspelbaarder verlopen dan in de gemengde klas, de rust groter, de opdrachten nog duidelijker.

De Tweede Kamer verklaarde Passend Onderwijs onlangs ‘controversieel’. Daardoor komt er pas wetgeving als er een nieuw parlement is. Maar de voorbereidingen gaan door; alle politieke partijen behalve de SP staan erachter.

Eind jaren 90 greep het Rijk al in: voortaan mochten basisscholen jaarlijks nog maar 2 procent van de leerlingen naar een speciale school sturen. Dat heette ‘Weer samen naar school’. Voor elk kind boven die 2 procent betaalt de school die wegstuurt 4.000 euro per jaar aan de speciale school. Ook konden ouders er voortaan voor kiezen hun kind op de gewone school te laten met extra begeleiding, betaald uit de ‘rugzak’, of naar een speciale school met deskundig personeel te sturen.

Toch is de toeloop naar het speciaal onderwijs sterk gegroeid. Stoornissen bij kinderen worden eerder dan vroeger erkend. En kinderen met een lichte vorm van ADHD of autisme redden zich op een basisschool minder goed dan vroeger, aldus Gezondheidsraad en Sociaal-Economische Raad. De school en de Onderwijsinspectie hechten steeds meer waarde aan sociale vaardigheden. Kinderen moeten samen en individueel werken. Ze worden niet, zoals vroeger, meegenomen in een klassikale stroom van stampen en herhalen.

Verstoten leraren kinderen met een handicap te snel? Dat ook, zegt Henk Keesenberg, die de invoering van Passend Onderwijs begeleidt. In ‘de provincie’ hebben relatief meer kinderen een rugzakje dan in de grote steden, vertelt hij. Buiten de grote stad zijn leraren minder gewend aan afwijkend gedrag, „dus ze zoeken sneller hulp”. Keesenberg gaf tien jaar les op een basisschool in Amsterdam-West. „Daar zitten zo veel kinderen met afwijkend gedrag dat je minder snel een diagnose zoekt.”

Veel scholen doen hun best, zegt directeur Fokke Dijkstra van basisschool De Fontein in Sleen (Drenthe). Hij zit 34 jaar in het onderwijs. „Sinds ‘weer samen naar school’ houden wij kinderen binnenboord die we voorheen naar een speciale school verwezen.”

Op 110 leerlingen heeft Dijkstra er vier met een rugzak. Maar, zegt hij, er zijn grenzen aan wat het Rijk kan verlangen van een basisschool en de overige kinderen, als de school er geen geld bij krijgt. „En Passend Onderwijs, de volgende stap, overschrijdt die grens.”

Volgens Dijkstra staan scholen onder druk; er zijn steeds meer kinderen met gedragsproblemen. „Ook op een school in een forenzendorp in Oost-Nederland.” Het leven thuis is hectischer, zegt hij, met twee werkende ouders en quality time die voortdurend benut moet worden. „Kinderen gedijen goed bij een rustig thuis waar ze ongedwongen kunnen spelen zonder dat er elke dag iets hoeft.”

Daarnaast eist de Onderwijsinspectie tegenwoordig dat basisscholen ‘opbrengstgericht werken’. Dijkstra: „Je moet goede resultaten halen. Dat heeft de kwaliteit van het onderwijs verhoogd. Keerzijde is dat een school niet te veel leerlingen kan binnenhouden die het tempo niet aankunnen. Want dat drukt de gemiddelde opbrengst.” In een kleine school hebben lage resultaten van één kind grotere gevolgen voor het gemiddelde dan op een grote school.

Om een kind met een handicap langer ‘aan boord’ te houden, moet de basisschool met passend onderwijs meer voor hem gaan doen. Leraren moeten samenwerken met speciale scholen en handelingsplannen maken. Keesenberg: „De basisschool moet het kind niet zomaar wegsturen. Ze moet voor elk kind de beste plek vinden.”

Op de Van Detschool vrezen ze niet voor hun voortbestaan, zegt adjunct-directeur Merel Eekman. „Leerlingen zoals de onze zullen uiteindelijk hier terechtkomen, want die redden het echt niet op een gewone school. Alleen zullen ze een paar jaar later komen.”